Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
256
LVI. DE VRAAG VAN PETRUS.
luidt: «Waarom vraagt gij Mij aangaande
het goede?»
Alford merkt terecht op, dat dit gedeelte,
wel verre van Sociniaansche dwalingen
betreffende Christus te ondersteunen, eene
zeer duidelijke terechtwijzing daarvan is.
Christus weigerde beschouwd te worden
als hetgeen waarvoor zij Hem hielden —
een goed mensch. Stier stelt de quaestie
aldus: — Of: Niemand is goed behalve
God: Christus is goed : dus is Christus God.
Of: Niemand is goed behalve God: Christus
is niet God: dus is Christus niet goed.n
4. Het woord, door «treurig» vertaald
in Mark. X : 22, komt nergens anders
in het N. Testament op die wijze voor.
Het beteekent sombere verslagenheid. In
Matth. XVI : 3 wordt het door «droevig»
vertaald, en heeft daar betrekking op de
lucht.
5. « Door het oog van eene naald.»
Men zegt, dat de lagere zijdeur van eene
Oostersche poort gewoonlijk zoo genoemd
werd; en sommigen denken, dat hierop
gedoeld wordt. Maar het is waarschijnlijker,
dat de uitdrukking letterlijk opgenomen
moet worden. Hetzelfde gezegde komt
voor in den Talmud met betrekking tot
een olifant; het was zeker de gewone
manier om van eene onmogelijkheid te
spreker.
Les LVL — De vraag van Petrus.
nWat zal ons dan geworden? 9
Te lezen — Matth. XIX : 27—30; XX : 1—16.
Te leeren — Luk. XVH : 10; Rom. VI : 23. (Ps. 126 : 3; Gez. 77 : 4).
Voor den Onderwijzer.
Het moet duidelijk begrepen worden, dat in de volgende Schets de moeilijke
gelijkenis, die wij nu voor ons hebben, niet beschouwd wordt als betrekking
hebbende op persoonlijke zaligheid, maar alleen op Christelijken arbeid en het
loon daarvoor {Zie Aant. 3). Maar het denkbeeld van loon voor goede werken
— gedaan, niet om zalig te worden, maar omdat men reeds zalig is — treedt
zeer op den voorgrond in het N. Testament; ofschoon dit loon zelf geheel al-
leen uit genade gegeven wordt. Indien men van dit denkbeeld uitgaat bij het
uiteenzetten der gelijkenis, zal deze betrekkelijk gemakkelijk worden.
Dat er verschillende graden van belooning zijn, wordt in deze Les niet
behandeld, daar het beter bij de gelijkenis van de Talenten past.
Het volgende voorbeeld kan te pas komen, om de rechtvaardigheid aan te
toonen in de handelwijze van den «heer des huizes»:
«Mama», zeide Karei, «was het niet heel onrechtvaardig van den
heer des huizes om al de arbeiders evenveel te betalen, terwijl som-
mige den geheelen dag en sommige slechts een uur gewerkt hadden?
Ik geloof, dat hij een zeer onbillijk man geweest moet zijn».
«Herinnert gij u, Karei, dat ik verleden week twaalf sinaasappelen
voor zes stuivers kocht bij den groentenman? Nu, gij weet, dat ik er
gisteren drie even groote van die arme vrouw aan de deur kocht, en