Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
255 LV. DE KINDERKENS EN DE RIJKE JONGELING. •

meer doen? « C/irisiws vo/^ren », zijn stand
in de maatschappij opgeven, belijden, dat
hij een zondaar is, een discipel worden
van den verachten Nazarener — in het
kort, het «Koninkrijk ingaan als een
kindeke» (zie hiervóór), hij zelf niets, i
Christus alles. Hij denkt aan het moeilijke j
en zelfopofferende leven van een discipel —
aan al de genietingen (welke hij met zijn
geld kan koopen), die hij moet verliezen
— en hij kan het niet doen. Tegenstelling
met Paulus (2de tekst om te leeren).
Houdt iets ons van Christus
terug ?
Hij is bereid om iedereen te ontvangen,
te zegenen, gelukkig te maken — den
jongeling, die zich een weg baant door het
leven, of het jongste kind. Waarom zou
iemand onzer «weggaan»? Sommigen j
gaan zelfs niet eens bedroefd weg — zij }
verheugen zich, indien zij zoo ver mogelijk
weg kunnen komen, evenals de Verloren
Zoon. Maar sommigen hinken nog op twee
gedachten, zooals deze jongeling — zij
gevoelen, dat het eene droevige zaak voor
hen zou zijn om weg te gaan — zij zou-
den gaarne Christus' discipelen zijn —
weten, dat dit het middel is om gelukkig
te zijn — maar iets houdt hen terug.
(Voorbeeld. — Een groote vogel in den
dierentuin — zie hoe hij zijne vleugelen
uitspreidt — zich in de lucht verheft —
plotseling terug wordt getrokken — hij
is vastgeketend aan zijn stok). Welke is
de «keten», waarmede gij gebonden zijt?
Er is een voorname reden om nu te
komen: het is het gemakkelijkst in de
kindsheid (zie hiervóór, Ib). Eiken dag,
dien gij ouder wordt, is het moeilijker
tot Christus te komen, bezwaarlijker om
van alle wereldsche zaken afstand te doen.
Gij begeert te komen — maar uwe be-
geerte wordt hoe langer hoe zwakker —
het geluid van Christus' stem hoe langer
hoe minder gehoord — waarom? Gij wordt
er aan gewoon. (Voorbeeld. — Het slaan
van een klok,het gefluit van een locomotief
wekt iemand na eenigen tijd niet meer
uit den slaap).
Wat is de belofte? Spreuk. VIH : 17 —
«Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden».
Aanteekeningen.
1. Dat sommige van de kinderen, die
tot Christus gebracht werden, van den
teedersten leeftijd waren, blijkt uit het
woord, dat Lukas gebruikt, hetwelk zuige-
lingen beteekent.
2. Het verhaal van den rijken jongeling
is een van die, waarin drie Evangeliën
elkander op merkwaardige wijze aanvullen.
Mattheus vermeldt alleen, dat hij een jon-
geling was, en dat hij vraagde «wat goeds»
hij moest doen; de uitdrukkingen van
Christus: «Wilt gij in het leven ingaanï,
en « Zoo gij wilt volmaakt zijn »; en dat
Christus onder de geboden opnoemde: «Gij
zult uwen naaste liefhebben als u zelven».
Markus vermeldt alleen, dat de jongeling
«liep en op de knieën viel»; dat Jezus
«hem beminde»; de uitdrukking «neem
het kruis»; het gebod «gij zult niemand
te kort doen»; en de uitleggende verkla-
ring omtrent degenen, «die op het goed
hun betrouwen zetten »; en dat de jongeling
«treurig was » (Zie Aant 5). Hij zegt ook
driemaal van Christus, dat Hij was itziende»
(vers 21, 23, 27), hetgeen veel bijdraagt
tot de levendigheid van het verhaal. Lukas
vermeldt alleen, dat de jongeling een
overste was.
3. « Wat noemt gij Mij goed ? » enz. Dit
was natuurlijk niet als eene ontkenning
van de volmaakte goedheid van Christus
bedoeld. Het was niet het doel van Jezus
om van Zijne eigen goddelijkheid te spre-
ken. Hij raakt dit punt niet aan, en tracht
alleen den jongeling een verhevener denk-
beeld van goedheid te geven, en hem aldus
tot het inzicht te brengen, dat iets « goeds»
te doen niet zoo gemakkelijk is, als hij
denkt. Dit wordt nog duidelijker, indien
wij de lezing van de beste handschriften
aannemen, naar welke in Mattheus (niet
in Markus of Lukas) de vraag aan Christus