Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
254
LV. DE KINDERKENS EN DE RIJKE JONGELING. •
(vers 24), het geld liefhebben, gelooven,
dat geld datgene is, wat zij het meest
noodig hebben om gemakkelijker en naar
hun zin te leven, zich met meer ijver
toeleggen op het verkrijgen van geld, dan
van eenige andere zaak. Is dit niet het
geval met arme menschen? Welnu, geen
wonder; toch is het eene groote dwaling;
elke gulden, dien wij krijgen, maakt, dat
wij er meer om geven, en brengt ons
in de verzoeking om minder aan Christus
te denken.
Maar indien dit zoo is, dan hebben de
rijken de zwaarste verzoekingen (zie Matth.
XIII : 22; Luk. XII : 19—21; 1 Tim.
VI : 9). Zie nu hoe een rijke door zijn
geld werd verhinderd het Koninkrijk bin-
nen te gaan.
1. De rijke jongeling komt tot Christus.
Stel u hem voor; hij was, wat men
zou noemen, een bijzonder gelukkig mensch:
— (a) welgesteld; {b) geacht, daaren-
boven een «overste», ofschoon nog zoo
jong; (c) hij was niet gelijk zooveel rijke
jongelingen (b. v. de Verloren Zoon), die
hun geld in zonde doorbrachten — zyn
geheele leven is hij rechtvaardig en onbe-
rispelijk geweest, vers 10 (verg, Phil.
III ; 6). Toch niet gelukkig— hij gevoelt,
dat iets hem ontbreekt — er is een toe-
komend leven — is hij daarvoor gereed ? —
wat zal hij doen om daar zekerheid van
te hebben?
Hij zal het Jezus vragen. Hoe! Tot den
verachten Galileër gaan! hij, een geëerd
en rechtvaardig overste! Waarlijk; dit
toont aan hoe weinig hij zijnen trotschen
ambtgenooten gelijk is. Zelfs Nicodemus —
hoe kwam hij? maar deze man loopt
Jezus na, als Hij op het punt is Zijne
reis te hervatten, en knielt voor Hem neder
terwijl allen het zien.
2. De rijke jongeling gaat weg van
Christus.
Is hij Voldaan? Zie — zijn blik is som-
ber en treurig, vers 22 {Zie Aant. 4). Hoe
komt dat? heeft Jezus hem niet ontvangen?
zie vers 21 — Jezus was vervuld van
liefde voor hem; kende zijn beminnelijk
karakter, wilde hem gaarne leeren hoe
hij het eeuwige leven kon verwerven —
maar — de groote hinderpaal, die in den
weg staat, is — de liefde voor het geld.
Hoe kon het geld een hinderpaal voor
hem zijn? zie wat Jezus zegt, vers 21.
Waarom moet hij afstand doen van zijne
goederen? — bij anderen was dit niet
noodig — God had rijke dienstknechten
gehad. Abraham, David, enz. Ja, maar
hun geld verhinderde hun niet Gods ge-
1 boden te houden — het zijne wel. Hoe?
Zegt hij niet, dat hij ze alle onderhoudt?
vers 20. Maar indien hij al de geboden
hield, welke Jezus opnoemde, de plichten
jegens den naaste {inderdaad konde hij
I het niet doen — hij wist niet hoeveel zij
beteekenden) — hoe dan met de andere,
de «plichten jegens God?» Had hij God
lief uit geheel zijn hart, geheel zijn ver-
I stand en geheel zijne kracht (hoofdst. XH :
I 30)? Ach, hij had dan God misschien een
I weinig lief, maar zijn geld meer — hij
trachtte beide te dienen, hetgeen (1ste
tekst om te leeren) niet gedaan kan wor-
i den. Het gebod van Jezus is dus een
I proef — evenals God Abraham beproefde,
toen Hij hem gebood Isaak te offeren.
Abraham doorstond de proef — wien moet
hij het meest liefgehad hebben? Maar de
: jongeling kan geen afstand doen van zijn
geld — wat heett hij het meest lief?
i Op eene andere wijze is het geld ook
; een hinderpaal. Indien hij slechts alles
, aan de armen behoefde te geven, zou hij
misschien vinden, dat dit verlies opwoog
tegen het verwerven van het eeuwige
I leven, want naderhand kon hij dan weder
; rijk worden, — maar wat moet hij nog