Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
274 LV. DE KINDERKENS EN DE RIJKE JONGELING. •

Schets van de Les.
Wij hebben dikwijls over het « A'owinfc-
rijk» van den Messias gesproken. Hoe
dachten de Joden, dat het zou zijn? Waar
meenden zij, dat het gevestigd zou worden ?
Wie de deelgenooten er van zouden
zijn? Maar wie zegt Jezus, dat tot Zijn
Koninkrijk zullen behooren? Zie Joh.
III : 3 {Les XVI); Matth. V : 3; Matth.
XVHI : 3.
Heden zullen wij hieromtrent iets meer
zien. Lees vers H, -15 en vers 23—25.
I. Hoe men het Koninkrijk bin-
nen kan gaan.
De inwoners van Perea hadden een
diepen indruk ontvangen van de prediking
van Jezus en van Zijn arbeid onder hen.
Hij heeft de zieken genezen (Matth. XIX : 2),
de scharen onderwezen (Luk. XIV : 25),
de tollenaars ontvangen (Luk. XV : 1,2),
Hij is liefderijk geweest voor allen. De
moeders denken: «Waarom zou deze groote
en goede profeet ook niet onze kleine
kinderen zegenen?» Zie hoe zij zich om
Hem verdringen, de kinderen bij de hand
leiden of in de armen dragen. W^at denken
de discipelen? «Onze Meester heeft het
druk genoeg met het onderwijzen der
volwassenen. Hij kan zich met dezen niet
bemoeien; daarenboven kunnen zulke jonge
kinderen {zie Aant. 1) er nog niets van
begrijpen — als zij ouder zijn, mogen zij
tot Hem komen.»
Wat zegt Jezus? vers 14, 15. Te jong?
Dezen zijn juist de ware onderdimen van
het «Koninkrijk»; komen als zij ouder
zijn? integendeel; indien andere men-
schen het « Koninkrijk » wenschen binnen
te gaan, moeten zij aan deze kleinen gelijk
worden. Dus :
(a) Om in het Koninkrijk binnen te
gaan, moet men worden als een klein
kind. Waarom? Een klein kind gevoelt
zich hulpbehoevend en onwetend, is volg-
zaam, onderworpen, vertrouwend. Juist
hetgeen alle dienstknechten van Christus
moeten zijn (Zie Ps. CXXXI : 1, 2; 1
Petr. II : 1, 2).
(b) Daarom is de kindsheid de ge-
makkelijkste leeftijd om het Koninkrijk
binnen te gaan. Waarom? Omdat men
dan het kinderlijkst is — niet zooveel
veranderd behoeft te worden — de ver-
andering niet zoo zwaar valt. ( Voorbeeld. —
Wij kunnen een jongen boom buigen,
laten groeien zooals wij willen; met
een ouden boom gaat dit niet). Daarom
roept Jezus de jongsten tot zich. Hoe,
ook hen, die het niet kunnen begrijpen?
Ja, eene moeder kan het kind lichamelijk
verzorgen — kan Jezus niet hetzelfde
doen voor de ziel? Wij brengen ze dus
tot Hem — hoe? door voor hen te bidden?
Ja, maar bovenal door hen tot den Doop
te brengen, en hen alzoo aan Hem over
te geven (zooals Hanna Samuel gaf). Zal
Hij weigeren hen te zegenen? Weigerde
Hij deze kinderen in Perea te zegenen?
Wij twijfelen dus niet, maar gelooven
stellig, dat Hij hen liefderijk ontvangt en
opneemt in de armen Zijner genade.
II. Een groote hinderpaal voor
het binnengaan van het Konink-
rijk.
Zie vers 23 — Geld! Hoe vreemd, een
arme man denkt; «Hoe kan ik Christus
dienen, met al mijn zorgen, tobben en
zwoegen — indien ik het slechts wat
ruimer had, ja dan —!» Toch zegt Jezus,
dat het dan bezwaarlijker zal zijn « in het
Koninkrijk in te komen ». Maar van wie
spreekt Hij? Alleen van de rijken? W'at
beteekenen dan de woorden der discipelen :
« Wie kan dan zalig worden ?» — zij
denken, dat het op iedereen toepasselijk
is — waarom? Omdat allen meer ofmin
«op het goed hun betrouwen zetten»