Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
252
LV. DE KINDERKENS EN DE RIJKE JONGELING. •
24; Deut. XIV : 22; 2 Kron. XXXI: 5,6;
Neh. X: 37. De Farizeën vertienden, in
hunne kleingeestige toepassing dezer wet,
zelfs de minste voortbrengselen van hun
land, «de munt, de dille, den komijn
Matth. XXIII: 23. « Van alles wat ik bezit »
— liever averkrijghij vertiende zijne
inkomsten. «Ik vast tweemaal ter week »:
de Wet gebood slechts één vasten in het
jaar, nl. op den Verzoendag (Lev. XVI: 29),
maar de strengere Joden vastten eiken
Maandag en Donderdag.
5. Het woord «wees mij genadig», in
het gebed van den tollenaar, is zeer merk-
waardig. Het is verwant met de woorden,
dis in Rom. Hl : 25; 1 Joh. 11:2, IV: 10
en Hebr. H : 17 door «verzoening» zijn
vertaald. Het schijnt uit te drukken, dat
de Heer den tollenaar voor wilde stellen als
er zich van bewust, dat hij alleen genade kon
verkrijgen door een offer — de dage-
lijksche off-^randen in den Tempel waren
voorafschaduwingen van het groote Zoen-
offer, en wij mogen ons voorstellen, dat één
dier offers juist gebracht werd, terwijl de
tollenaar tegenwoordig was, d. i. indien
hij op het gewone uur des gebeds ging.
«Gerechtvaardigd» is de uitdrukking, die
zooveel in de Brieven aan de Romeinen
en de Galatiërs voorkomt.
De woorden « Ging af gerechtvaardigd
in zijn huis» duiden aan, dat hij het be-
wustzijn van schuldvergeving en aanneming
had; verg. Rom. V : 1.
Les LV. — De Kinderkens en de rijke jongeling.
aWat ontbreekt mij nog?»
Te lezen — Mark. X : 13—27; (verg. Matth. XIX : 13—26; Lukas XVHI: 15—27).
Te leeren — Matth. VI : 19—21, 24; Phil. IH : 7—9. (Ps. 62:1, 7; Gez. 68:1, 7).
Voor den Onderwijzer.
Dat Christus de kleine kinderen gezegend heeft, is door de Kerk altijd als
een krachtige, hoewel indirecte bewijsgrond aangevoerd voor den kinderdoop.
Het is onmogelijk te veronderstellen, dat zij, van wie Hij gezegd heeft:
«Derzulken is het Koninkrijk Gods», geene leden van de zichtbare Kerk op
aarde mogen zijn; en daar, bij die gelegenheid, de kinderen «gebracht»
zoowel als «gezegend» werden, hebben wij grond om te gelooven, dat het
brengen van zulke jonge kinderen tot Hem, evenals toen, door het «zegenen»
gevolgd zal worden. Afgescheiden van allen strijd over dit punt, is dit eene
zaak van eenvoudig geloof.
Het zal dus goed zijn in deze Les van den Kinderdoop te spreken, als geheel
in overeenstemming met hetgeen Christus ingesteld heeft, en dus in alle
geval door de Kerk in stand te houden, zooals ook in de Schels wordt aan-
gegeven. Dat slechts alles, wat op het aanroeren der geschilpunten gelijkt,
vermeden worde!
Bij het onderwijs moet de uitvoerigheid van de behandeling der twee voor-
vallen in deze Les geëvenredigd worden naar den ouderdom der leerlingen,
en de toepassing dientengevolge verschillen.