Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIV. TWEE GELIJKENISSEN OVER HET GEBED.
251
« Christen » bevrijd van het zivare juk).
Waarom verkreeg hij wat hij behoefde?
Omdat hij op de rechte wijze kwam, met
een gebroken en versJagen hart tekst
om te leeren; Ps. LI : 19; Jes. LXVI: 2).
Maar waarom werd hij agerechtvaardigd»
— d.i. niet alleen met vergiffenis van schuld,
maar van alle schuld ontslagen ? Omdat
zijne zonde op Christus werd gelegd, en hem
dus niet toegerekend (Ps. XXXII: 2). Hij
begreep het nog niet zooals wij dit doen;
maar misschien zag hij op den rook van
het geofferde lam, die boven het altaar op-
steeg, en wist, dat God beloofd had zulk eene
gave aan te nemen, wanneer zij voor
zondaars werd geofferd {Zie Aant. 5).
W^aarom baden nu de weduwe en de
tollenaar? Omdat zij aan iets behoefte
hadden en er om vroegen. En de Pari-
zeer — vraagde niets — waarom? —had
hij aan niets behoefte? Ja, maar hij ge-
voelde dit niet. Bidden is dus te vragen
naar hetgeen wij behoeven.
Hoe moeten wij dan vragen ?
(o) Als de weduwe, aanhoudende in het
gebed.
(6) Als de tollenaar, nederig.
Maar ééne zaak is eerst van noode. Wij
moeten onze behoefte gevoelen. Denk
slechts na; bedenk wie God is, wat wij
zijn; dan zullen wij zekerlijk gevoelen hoe-
zeer wij vergeving van noode hebben, als
de tollenaar, en hulp, als de weduwe. En
vraagt het eerst om den Heiligen Geest,
die ons al onze behoeften zal doen gevoelen,
en ons zal leeren waarom wij moeten
bidden, Rom. VIII : 26.
Zelfs het gebed der kleinste kinderen
zal gehoord worden, —
Ja, Amen! Vader, ja!
Gij slaat ons smeeken ga',
Gij zult ons niet beschamen,
Het woord van Uw gena\
Blijft, Vader! eeuwig Ja,
In Christus, Ja en Amen.
Aanteekeningen.
1. Onrechtvaardige rechters zijn, helaas,
te algemeen in Oostersche landen, waar
hunne macht bijna onbeperkt en de wet
dikwijls onzeker is. De handelwijze der
weduwe, die zich door kracht van aan-
houden recht wist te verschaffen, is ook
geheel Oostersch. Volgens Chardin verza-
melen zich de boeren in Perzië, zoodra zij
meenen, dat hun een onrechtvaardige eisch
wordt gedaan, voor het huis van den over-
heidspersoon, of volgen hem op straat,
onder het uiten van woeste kreten en het
opgooien van stof, totdat hun verzoek is
toegestaan.
2. «Mij het hoofd brpke», eene zeer
merkwaardige uitdrukking, welke betee-
kent : een forschen slag toebrengen onder
de oogen. De uitdrukking is hier over-
drachtelijk gebezigd en wil zooveel zeggen
als «zij zal mij nog dood plagen Het
is hetzelfde woord, door Paulus in 1 Cor.
IX : 27 gebruikt — «ik bedwing mijn
lichaam
3. De woorden: «Doch de Zoon des
Menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof
vinden op de aarde?» verbinden deze
gelijkenis met de toespraak in het voor-
gaande hoofdstuk. Zij beteekenen niet, zoo-
als gewoonlijk gezegd wordt,dat er slechts
weinig geloovigen zullen zijn. wanneer
Christus komt — hoe waar dit ook zijn
moge. Doelende op de langdurige beproe-
vingen, welke Zijn volk te verdragen zal
hebben, leert Hij hun door deze gelijkenis,
dat zij met geduld moeten voortgaan (verg.
Jak. V : 8), tot het einde toe bidden, en
niet vertragen, want de Rechter zal hen
zekerlijk hooren; niettegenstaande dat,
ondanks zulk eene aanmoediging, zullen
zij toch den moed verliezen, en wanneer
Hij komt zullen zij geen blijken geven van
ahet geloof» (letterlijk) te bezitten, dat
hen niet zou doen ophouden in het gebed.
De voorspelling wijst op de onvolmaakt-
heid der geloovigen, niet op hun gering
aantal.
4. Zie over tienden Gen. XIV : 20,
XXVHI: 22; Lev. XXVH : 30; Num. XVIH: