Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
250
LIV. TWEE GELIJKENISSEN OVER HET GEBED. 250
rechter eindelijk recht deed, «zal God geen
recht doen Zijnen uitverkorenen?»
Hoe vertrouwend kunnen wij dan
voortgaan met bidden/ Is dit niet juist de
reden, waarom Jezus de gelijkenis uitsprak ?
vers 1 — ,«niet te vertragen », d. i. niet
toe te geven aan de machtige «weder-
partij» of te vertwijfelen, omdat wij zoo
lang tevergeefs bidden. « ^/fyV? te bidden »,
d. i. vol te houden totdat de hulp komt
(Rom. XH : 12; Ef. VI : 16; Col. IV: 2;
1 Thess. V : 17) — evenals de Kananee-
sche vrouw (Les XLI) — evenals de wor-
stelende Jakob (Gen. XXXII : 26; Hos.
XH : 4). Maar, vraagt gij, waarom laat
God ons zoo aanhouden, waartoe dat uit-
stel? Kan het zijn, omdat Hij zich niet
om ons bekommert? Waarom dan? Hij
geeft gaarne een spoedig antwoord (Jes.
LXV : 24; Dan. IX : 20), maar Hij wacht,
omdat het goed voor ons is, ofschoon het
ons een tijdlang verontrust en bevreemdt.
( Voorbeeld. — Een klein kind begrijpt niet
waarom vader weigert of uitstelt aan
een verzoek te voldoen). Zie eenige ge-
vallen, waar een zegen niet dadelijk gegeven
werd, Matth. XIV : lo (vierde wake), W :
23; Joh. XI : 6.
n. De Farizeër en de Tolle-
naar.
Is er ééne zaak, waarin deze twee op
elkander gelijken? Ja — beiden gaan zij
«bidden». Maar zie het verschil.
Let op de twee mannen. De een —
bestijgt met trotschen- gang de trappen
des Tempels, neemt eene in het oog val-
lende plaats in: het volk gaat voor hem
uit den weg als voor een geêerden Rabbi;
op zijn voorhoofd en linker-elleboog zijn
twee kleine doosjes vastgebonden, waarin
de phylacterièn zxin, strookjes papier, met
teksten beschreven (zie Exod. XHI : 16;
Deut. VI : 8; Matth. XXHI: 5); hij draagt
een lang kleed met breede zoomen (Mark.
XH : 38; Num. XV : 38); alles teekenen
van eene gestrenge opvolging der geboden.
De andere — is een van «die slechte
tollenaars» (Les XXVI) geen wonder,
dat deze op een afstand blijft staan, met
de oogen naar beneden, terwijl hij zich
op de borst slaat» — zoo dacht misschien
het volk.
Maar luister naar de twee mannen.
De Farizeër. Zijn begin is goed —
«O God! ik dank u»; toch heeft zijn
danken drie groote gebreken:
(a) Hij vergelijkt zichzelven met andere
menschen — « niet gelijk de andere men-
schen », «of ook gelijk deze tollenaar».
Het is een gevaarlijke zaak (2 Cor. X : 12),
om te zeggen: »Ik ben niet zoo slecht
als die en die » — wat heeft dat er mede
te maken?
(b) Hij vertrouwt op hetgeen hij niet
is — « niet» een roover, enz. Nog eene
gevaarlijke zaak: de vraag is wat wij zijn.
(Voorbeeld. — Vertelt gij den dokter
welke kwalen gij niet hebt?).
(c) Hij verheft zich op zijne daden (zie
Aant. 4); verg. Matth. VI: 2, 5,16. Weder
eene gevaarlijke zaak, want w-at zegt Jako-
bus? Jak. 11 : 10; verg. Luk. XVII : 10.
Maar is het eigenlijk wel een gebed ? —
wat vraagt hij?
De Tollenaar. Op één punt stemt
hij met den Farizeër overeen — hij gevoelt,
«dat hij niet is gelijk de andere men-
schen» — hij acht zichzelf «den zondaar»
(zie Aant. 5), verg. 1 Tim. I : 15. Dit
was hij ook, zonder twijfel; misschien
alles, wat de Farizeërnief was (« roover »,
enz.). Maar dit was juist de reden waarom
hij bad — hij had behoefte aan iets —
aan genade.
Verkreeg hij wat hij behoefde? vers 14.
Zie hem «in zijn huis gaan »—niet hoog-
moedig — steeds nederig — maar met
vrede in het hart. (Voorbeeld.— Bunyan's