Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIV. TWEE GELIJKENISSEN OVER HET GEBED.
249
Schets van de Les.
Waarom bidden de meeste jongens en
meisjes? Daar zijn gewoonlijk drie redenen
voor — en zij zijn alle drie verkeerd.
(a) Omdat zij «het moeten doen ». ^Ten
plicht. Dat is het ook, maar dit is niet de
ware reden voor heidebed.(Voorbeeld.—
Een arme man bedelt om brood — vraagt
hij, omdat het een plicht is, die gedaan
moet worden?).
(b) Opdat God over hen voldaan zal
zijn, en zij dus in den Hemel zullen komen.
Een verdienste. Ja, God zal voldaan zijn,
biddende kinderen zullen in den Hemel
komen — maar niet omdat te bidden
zoo goed van hen is. Dit kan dus ook
niet de ware reden zijn. (Nog eens de
arme man — bedelt hij, omdat goede
menschen hem met genoegen zullen
hooren ?).
(c) Omdat het hun goed doet; zij ge-
voelen zich naderhand gelukkiger. Een
voorrecht. Dat is het ook; toch is ook dit
de reden niet. (Bedelt de arme man,
omdat het bedelen hem goed doet?).
Wat is dan de ware reden voor het
gebed? (Waarom bedelt de arme man?).
Er zijn zaken, waaraan wij behoefte hebben
en die God ons kan geven.
Het bidden is het vragen om deze
dingen.
Beschouwen wij heden twee gelijkenis-
sen, door welke Christus aantoonde hoe
zij, die aan iets behoefte hebben, er God
om moeten vragen.
I. De verongelijkte weduwe.
Eene arme vrouw, alleen in de wereld,
zonder man om haar te beschermen —
onderdrukt door eene «wederpartij» —
moet onrecht lijden (misschien is zij door
bedrog van haar kleine bezitting beroofd)
— wat zal zij doen? W^at zou zoo iemand
in Nederland doen? — Naar een overheids-
persoon of rechter gaan, overtuigd, dat
[ deze eerlijk zal handelen — en de zaak
' zal in orde komen. Maar in het Oosten
waren de rechters dikwijls oneerlijk —
zij gaven niet om het recht — somtijds
beslisten zij ten voordeele van dengene,
die hun het meeste geld kon geven. Zie
Gods geboden daaromtrent, Deut. I : 16,
17, XVI : 18, 19. Zie wat Samuel kon
zeggen, 1 Sam. XH : 3; en wat zijne
zonen deden, 1 Sam. VIH : 3, en anderen,
Pred. IV ; 1, V : 7; Jes. X : 1, 2; Amos
V : 12; Micha H : 2; Hand. XXIV : 26.
De rechter in de stad der weduwe — hoe
was hij? vers 2, 6 — «Waarom zou hij
zich moeite geven om /laar?» En mis-
schien had de « wederpartij » hem omge-
kocht, of was wellicht zijn vriend.
Hoe verkreeg de weduwe recht van
zulk een rechter? Alleen door hem niet
met rust te laten. Eindelijk gaf hij toe —
waarom? uit goedheid? of omdat het haar
toekwam? Neen, maar omdat zij hem
niet met haar aanhouden « het hoofd zou
breken » {Zie Aant. 2).
Hebben wij dezelfde reden om te bid-
I den, als de weduwe? Wij hebben eene
«wederpartij» (1 Petr. V : 8), die ons
altijd naar lichaam en ziel kwaad tracht
te doen; en evenals de weduwe, zijn wij
te zwak om hem uit ons zeiven weerstand
te bieden. En wij hebben een gebed geleerd
als het hare: « Verlos ons van den booze » ;
verg. Ps. XXXV : 22, 23, LXXIV :
10, 11.
Hebben wij evenveel moeite in het
verkrijgen van hetgeen wij behoeven, als
zij^> O neen. Wij kunnen tot den Rechter
gaan — maar welk een Rechter! Gen.
: XVIH : 25; Deut. XXXII : 4. Hij is eerder
geneigd om te hooren dan wij om te
bidden; Hij roept ons om tot Hem te komen
en alles te zeggen, Ps. L : 15; Matth XI:
28; 1 Pe^r. V : 7. Indien de onrechtvaardige