Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
27 IL DE PROFETIEËN VAN DEN TOEKOMSTIGEN VERLOSSER.
hier voor de men schel ijk e natuur in het
algemeen, zooals in Jes. XL :6; 1 Petr.
I : 24. Het woord werd waarschijnlijk
gebruikt met betrekking tol de ketterij
van de Doceten, die achtten dat het lichaam
van Christus slechts in schijn bestond en
tegen wie Johannes schrijft in zijn Eersten
Brief (IV: 3) en in zijn Tweeden (vers 7).
« Heeft onder ons gewoond • — letterlijk
•gelabemakeld». Het woord komt ook
voor in Openb. VH : io, XXI : 3, en ziet
bepaaldelijk op tGod onder de menschen
wonende».
€ Wij hebben Zijne heerlijkheid aan-
schouwd», d. i. zoowel de eeuwige heerlijk-
heid, welke bij de verheerlijking op den
berg geopenbaard werd, als de heerlijk-
heid van Zijn persoon en Zijn werk (Zie
Joh. H : 11, XI : 4). De woorden tge-
tabemakeld» en • heerlijkheid» te zamen
voorkomende, hebben zeker betrekking op
de oude Schechinah, de heerlijkheid des
Heeren, in den tabernakel.
^De Eeniggeborene des Vaders.t —
Deze uitdrukking komt alleen hier voor
en in vers 18, Hl : 16, 18; 1 Joh. IV: 9.
Hier is het, in tegenstelliug van de tkin-
deren Gods» van de voorgaande verzen,
dezen, kinderen door het geloof, — Hij,
ki*achtens Zijne eigene natuur.
«Voi van genade en waarheidn — ge-
nade in tegenoverstelling van de gestreng-
heid der Mozaïsche wet, «Waarheid» (d. i.
werkelijkheid) in tegenstelling van de typen
en voorafschaduwingen (verg. vers 18.)
2 PhiL H : 6-8. Deze verzen zouden
beter vertaald, aldus luiden: 9l)ie in de
gestallenis Gods zijnde, niet achtte (het
zelfde woord als in vers 3) dat Zijn ge-
lijk-zijn-met-God eene zaak was, welke
Hij moest behouden, mciar zich zelf ver-
nietigd heeft, de gestaltenis eens dienst-
knechts aannemende, den mensdten gelijk
geworden zijnde,» enz.
Het woord croof» in onze vertaling,
wordt gewoonlijk gelijk gesteld met «iets
dat verkregen moet worden», terwijl
^behouden» de beteekenis van bezit in
zich heeft.
De zin van dezen merkwaardigen tekst
is deze: Christus had de «gestaltenis»
(de uitwendige heerlijkheid) van God, en
deze, hoewel hij werkelijk en rechtmatig
gelijk was met God, vernietigde Hij (niet
Zijn Godheid, niet Zijn gelijkheid met God,
maar slechts Zijn goddelijke heerlijkheid),
en nam de «gestaltenisi (hetzelfde woord)
eens dienstknechts aan, het uiterlijk voor-
komen van een menj^ch.
3. Hier volgen nog eenige bewijzen voor
de Godheid van Christus:
rechtstreeksche getuigenissen: Rom. IX :
5; Col. II : 9; Heb. L
Goddelijke eigenschappen aan Christus
toegeschreven: Eeuwigheid, Miclia V : 1;
Joh. VIII : 58; Heb. I : 8-12, XIU : 8;
Openb. I : 17, XXH : 13 (Ver^. Jes.
XLIV : 6): Almacht, Matth. XXVIÜ:18;
Phil. IH : 21: Openb. 1:8; Alwetendheid,
Matth. IX : 4, XH : 25; Joh. II : 24. 25,
XXI : 17 (Verg. 2 Kron. VI: 30); Openb.
II : 23 (Verg. Jer. XI : 20); Alomtegen-
woordigheid, Matth. XVIH : 20. XXVHI:
20, ook Heb. VII : 25 doelt hierop (en
op de alwetendheid en almacht), evenals
vele, soortgelijke plaatsen.
Goddelijke eer, aan Christus bewezen
(verg. Zijn eigen getuigenis in Matth. IV: 10
met Joh. V : 23), Matth. XXVHI : 9, 17;
Joh. XX: 28; Hand. IX: 14, 21 en 1 Cor.
1:2; het aanroepen van Zijn naam,
Hand. VII : 59; 2 Cor. XII : 8, 9; PhU.
H : 10, 11; Heb. 1 : 6; Openb. V: 8, 13
(De gelegenheden, waarbij Hij op aarde
zijnde, taangebeden* werd, — uitge-
nomen die na Zijne opstanding — zijn
niet genoemd, omdat zij nog geen bepaald
bewijs zijn van geloof in Zijne Godheid.)
Les IL — Profetieën yan den toekomstigen Terlosser.
%Gel^k Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten*.
Te lezen ~ De teksten, in de Les aangehaald.
Te leeren — .loh. V : 39; Matth. VIII : 16, 17 (Ps. 72 : 2; Gez. 2-29 : 1>
Voor den Onderwijzer.
Deze Les handelt nog alleen over teksten. Men zal echter zien, dat vele van
de voornaamste messiaansche vooi*speliingen niet vermeld zijn {Zie Aant. 1).