Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIII. AANGAANDE DEZE WERELD EN DE TOEKOMENDE.
247
voort met hun de Gehjkenis van den
Rijken Man en Lazarus te geven, waar-
van de strekking hiervóór aange-
toond is.
2. De Gelijkenis van den On-
rechtvaardigen Rentmeester is
zeer moeihjk, en er zijn tallooze verkla-
ringen van gegeven. De gewone uitlegging
is in de Schets aangenomen, maar er
moeten eenige opmerkingen aan toegevoegd
worden:
(a) De «rentmeester» had het bestuur
over de goederen — hij was de admi-
nistrateur.
(b) Gewoonlijk neemt men aan, dat de
«schuldenaren» de koopers van de op-
brengsten waren, en ontvangbewijzen voor
de waarde hadden gegeven; het veranderen
hiervan was niets anders dan een bedrog,
tegen den eigenaar van het landgoed ge-
pleegd (ofschoon het niet noodzakelijk is,
dat de schuldenaren hieraan medeplichtig
waren, daar zij gemakkelijk konden denken,
dat de rentmeester hiertoe door zijn groo-
ten invloed in staat was jgesteld). Deze
opvatting, waarmede de kundigste Schrift-
uitleggers het ook eens zijn, is in de Schets
aangenomen. Maar het kan ook zijn,
dat de schuldenaren hun huur met de
voortbrengselen zelven moesten betalen, en
dat de rentmeester grooter hoeveelheden
had geëischt, dan waarvan hij rekenschap
gaf, en het verschil voor zichzelf hield;
hetgeen hetzelfde is wat de tollenaars
gewoonlijk deden {Zie iesXXVI, Aant. 1).
In dit geval was alleen de rentmeester de
verliezende persoon en deed hij de bewijzen
van ontvang overeenstemmen met de reke-
ning, die hij zijn meester gaf. De toepas-
sing van Christus doelde dan in het
bijzonder op het teruggeven van hetgeen
onrechtvaardig geëischt was — hetzelfde,
wat naderhand door Zacheus gedaan werd
(Luk. XIX : 8).
(c) Het « vat » olie is de « bath » (Jes.
V : 10; Ez. XLV : 10—14), welke voor
vloeistolTen hetzelfde was als eene efa voor
vaste stoffen: het tiende gedeelte vaneen
homer, en ongeveer gelijk aan 36 kan.
Het mud tarwe is de «cor» of homeren
staat ongeveer gelijk met vijf hectoliter.
De hoeveelheden, in de gelijkenis genoemd,
zijn dus groot.
{d) In vers 8 is de «heer» alleen de
heer van den rentmeester, niet Jezus. « In
hun geslacht», beter «jegens», d. i. «in
hunne onderhandelingen met».
(e) «En Ik zeg ulieden» (vers 9): hier
begint de toepassing van Christus. «Maakt
u zelven vrienden » — niet « een vriend
van den mammon», d. i. «den mammon
tot uw vriend » — maar « vrienden uit (èx)
den mammon», d. i. met hem, door middel
van hem. Zie over het,overige van dit vers
de Schets.
(f) Vers 12 — «eens anders», d. i.
Gods. Aardsche bezittingen worden hier
slechts beschouwd als aan ons toever-
trouwde goederen; hemelsche bezittingen
als ons eigendom, omdat zij ons niet ont-
vreemd kunnen worden.
3 De Gelijkenis van den Rijken
Man en Lazarus.
(a) «Purper en fijn lijnwaad» — het
Syrisch purper, dat zeer kostbaar was,
daar de verfstof slechts in zeer kleine
hoeveelheden van een zekeren visch ver-
kregen werd: en waarschijnlijk het fijne
lijnwaad van Boven-Egypte.
(b) «Begeerde verzadigd te worden
van de kruimkens». Waarschijnlijk werden
zij hem nu en dan gegeven. Het lekken
der honden wordt niet vermeld als eene
verzwaring van het lijden des ongelukkigen;
maar om aan te toonen, dat zij zijne eenige
vrienden waren; de tong van den hond
kon het pijnlijke der zweren verlichten.
(c) « Laza)^s », een andere vorm voor
Eleazar, hetgeen beteekent «God is mijne
hulp». Waarschijnlijk wilde Christus met
dezen naam zijn karakter aanduiden.
(d) De gelijkenis spreekt van de onzicht-
bare wereld in de bewoordingen en de
beeldspraak, die onder de Joden van dien
tijd gangbaar waren; maar, zooals Alford
terecht opmerkt, kon «Hij, wiens wezen
Waarheid is, niet iets, wat niet bestaat,
als iets bestaands aangenomen hebben.»
Hoewel dus de Joodsche uitdrukking
«Abraham's schoot» slechts een beeld is,
moet de toestand, welke daar voor-
gesteld wordt, nl. een rusten in geluk-
zaligheid, een bestaande toestand zijn.
{e) «De hel» — beter «de Hades»,de
plaats van de geesten der afgestorvenen
tot aan de opstanding, en wel te onder-
scheiden van de « Gehenna », de plaats der
eeuwige straf. De twee woorden zijn onge-
lukkigerwijs door « hel « weergegeven in
onze vertaling. In Matth. XVI: 18; Hand.