Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
246
LIII. AANGAANDE DEZE WERELD EN DE TOEKOMENDE. 246
goed — ziet hem wanneer hij in- en uit-
gaat — weet ook zijn naam (vers —
wat doet hij voor hem? Tracht hij zijne
smarten te verlichten ? — De honden lekken
zijne zweren; voorziet hij hem van voedsel?
0 ja, er is overvloed van «kruimkens»
(zie Aant. 36), is dat alles? Indien hij
bedacht had, dat al het zijne Gods eigen-
dom was, en dat, indien hij het voor de
armen gebruikte, hij het aan God terug
gaf (zie teksten hiervóór), wat zou hij
dan gedaan hebben? Matth. XXV : 35,36.
Maar hij «bracht de goederen zijns Mees-
ters door» (zie vers 1) voor zichzelf (Verg.
Zach. VII : 6; Phil. III : 19).
Wij zijn niet rijk; maar wij hebben
sommige zaken, die God ons gegeven
heeft. Hoe gebruiken wij deze? — Geheel
voor ons zelf? Of, al is het nog zoo weinig
(zie 2 Cor. VHI : 44; IX : 7), om anderen
te helpen?
2. De rijke man in de toekomende
wereld, « als hij zijne oogen ophief, zijnde
in de pijn»! En wat ziet hij? — ach,
dat bekende gezicht, vroeger zoo vervallen
en ellendig, nu stralend van vrede en
heerlijkheid (zie Aant. 3d) — hij herkent
het oogenblikkelijk.
Maar hoe kwam Lazarus daar? Omdat
hij arm was? Neen — kan een arme niet
onboetvaardig en ongehoorzaam zijn tegen
God? Maar in zijne armoede was God
zijne hulp (Zijn naam beteekent dit;
daarom gaf Jezus dien zeker) — hij was
een van de «armen van geestn, Matth.
V : 3; «rijk in het geloof», Jak. H : 5.
Zie het verzoek van den verlorene, vers
24 (zie Aant. 3/) — om verlost te wor-
den? Neen — om slechts één oogenblik
verlichting te hebben. En waarom niet?
Zie het antwoord: — (4) Zijne vraag was
onredelijk — hij had het zijne gehad —
hij had gekozen wat hij wilde hebben,
zichzelven in alles toegegeven — «zijn
goed » — zijn «loon » (Matth. VI : 2, 5,
46). Hij had gezaaid — welk recht had
hij om zich over den oogst te beklagen?
(2) Het was onmogelijk — hij had op
aarde tijd gehad om zich voor te bereiden.
— Nu was het te laat, want er was
« eene groote klove gevestigd ».
Is dit te verschrikkelijk? maar wie zegt
het? De liefderijke Heiland, die stierf om er
ons van te verlossen. Is het niet een bewijs
Zijner goedheid, dat Hij ons waarschuwt?
Hoe ontkomen wij aan een soortgelijk
lot? Indien wij tot dien Heiland gaan —
Hem geheel toebehooien — dan zal Hij
eene geheel andere « plaats voor ons be-
reiden i» (Joh. XIV : 2). «Bedenk dus de
dingen, die van boven zijn, niet dedingen
van deze aarde »; hoe kunnen wij iets van
Zijnen dienst terughouden?
Aanteekeningen.
4. In hoofdstuk XV had Christus tot de
Farizeën gesproken. Hoofdst. XVI begint
met: «En Hij zeide ook tot Zijne disci-
pelen.^ Voor hen was dus de gelijkenis
van den onrechtvaardigen Rentmeester
voornamelijk bedoeld; en daar het niette
denken is, dat Hij haar op de Twaalven
wilde toepassen, schijnende « discipelen »,
welke Hij op het oog heeft, die «tolle- |
naren en zondaren» te zijn, welke in j
hoofdst. XV vermeld worden. Wij verne-
men niet, dat deze tollenaren « alles ver-
lieten », zooals Mattheus dit gedaan had; |
zij werden d^ar ook niet toe geroepen;
en daarom deelt Christus hun in het bij-
zonder deze lessen mede over het gebruik
van geld. De Farizeën echter, die, hoewel
zij voorgaven «God te dienen», werkelijk
den Mammon dienden (vers 13, 14), ge-
voelen, dat Zijne woorden hen veroordeelen,
en zij «beschimpen Hem». (Het is eigen-
aardig, dat dit woord « beschimpen » in het
Grieksch eigenlijk beteekent den neus
ophalen). Daarop gaat Christus, na eenige
opmerkingen (vers 45—18). over wier
verband het onnoodig is hier te spreken.