Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIII. AANGAANDE DEZE WERELD EN DE TOEKOMENDE.
245
komst. Hij dacht er aan; wie van ons
denkt waarlijk aan het toekonnende leven?
Hij maakte, dat hij zekerheid had; zelfs
indien wij er over denken, zeggen wij dan
niet: «O, het is alles in orde» en laten
het aan het toeval over? Hij verloor geen
tijd; hoe velen (evenals Felix, Hand. XXIV :
25) stellen voortdurend uit? Wat zou er
met den schooljongen {zie hiervóór) ge-
beuren, die het leeren uitstelde tot den
dag, dat hij de school moest verlaten?
Denk aan de woorden van den Psalm:
d Heden, indien gij Zijne stemme hoort».
2. Hij deed het, door het hem toever-
trouwde geld te gebruiken en zoo vrien-
den te maken. Het is waar, dat hij eene
list gebruikte, waardoor hij zijn meester
bedroog; maar kunnen wij niet hetzelfde
op eene andere wijze doen? Laat ons zien.
Wij zijn ook rentmeesters — waarvan?
Van alles, wat wij hebben. Het is niet
ons eigendom, maar dat van «een ander »
(vers 12), nl. van God {Zie Aant. "If). Ons
geld, alles, wat wij in deze wereld hebben, i
is ons door God toevertrouwd. Van de wijze,
waarop wij het gebruiken — goed of ;
slecht — hangt onze zaligheid in het |
toekomende leven af {zooals de boeken
van een schooljongen, enz., of het zaad
van den landman; zie hiervóór). Hoe I
moeten wij het gebruiken?
(a) Zooals de rentmeester dit deed —
wij moeten er ons « vrienden uit maken », 1
vers 9 {zie Aant. 2e) — hoe? Het aan !
anderen mededeelen, er goed mede doen i
(verg. Lukas XH : 33). En wat dan? |
Wanneer wij voor Christus' rechterstoel
staan, om rekenschap te geven (Matth.
XXV : 19; Rom. XIV : 12), dan zullen
diezelfde menschen, die wij geholpen en lief-
derijk behandeld hebben, ons «in de eeuwige
tabernakelen ontvangen», getuigenis geven-
de van onze liefde jegens hen, als een bewijs,
dat wij Christus' eigen dienstknechten zijn.
(b) Zooals de rentmeester dit niet deed
— rechtvaardiglijk. Hij «maakte vrienden»,
door zijn meester te bedriegen; maar
wanneer wij Gods eigendommen besteden
met goed te doen, dan is dit hetzelfde als
Hem het Zijne terug te geven, zie Spr.
XIX : 17; Matth. X : 42, XXV : 40, dit
is dus een rechtvaardig gebruik. En indien
wij in deze kleine zaken getrouw zijn, dan
zal God ons veel meer in het toekomende
leven schenken (vers 10—12); zie Matth.
XXV : 21, Luk. XII : 42—44.
II. Eene gelijkenis, welke aan-
toont wat er gebeurt, indien men
zich niet zoo voorbereidt, vers
19—31.
1. De rijke in deze wereld. Hij is ook
een rentmeester — veel is hem toever-
trouwd — hoe gebruikte hij het? Wij
lezen niet, dat hij slecht was — was het
verkeerd om rijk te zijn, «vroolijk en
prachtig te leven», enz.? — in de Schrift
zijn er vele goede rijken — «Vader Abra-
ham » was zelf rijk. Maar hij «liet na, wat
hij had moeten doen» — hoe ?
(a) Hij dacht in het geheel niet aan
het leven na dit levon. Hij leefde rustig
voort, genoot van zijne aardsche goederen,
was zeker achtenswaardig en geacht —
hoorde Gods Woord in de Synagogen (zie
vers 29), maar nam het nooit ter harte.
Evenals zoovelen, van wie wij zeggen,
dat zij «oppassende jongens en meisjes
zijn», die zich stil en plichtmatig gedragen,
maar « God vergeten» — en wat heeft
dit ten gevolge? Ps. IX : 17.
(b) Hij maakte zich «geen vrienden»
uit zijn geld. Deed hij dit niet? Hij gaf
toch groote feesten, enz. Ja, maar wat
had Jezus daaromtrent gezegd? XIV : 12
—14 {Les LH). Laat ons zien. Voor
zijne poort ligt een arme bedelaar, hulpe-
loos, krank, zonder voedsel. Hij kent hem