Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
244
LIII. AANGAANDE DEZE WERELD EN DE TOEKOMENDE. 244
Ook veronderslelle men niet, dat hetgeen in deze Les over dexe wereld en
de toekomende gezegd wordt, het denkbeeld insluit, dat wij onze zaligheid
kunnen verdienen door liefde en goede werken. Wal de Schets aangeeft,
wordt genoegzaam bevestigd door teksten uit den Bijbel, en wij hebben geen
recht om het eene gedeelte der Schrift met stilzwijgen voorbij te gaan, uit
vrees, dal het de kracht van een ander gedeelte zal verzwakken. Hel is echter
goed, voorzichtig te zijn in het kiezen van woorden. Het doel van de laatste
zinsnede is, de gedachte weder terug te brengen tot Christus, de bron van
alle verdiensten!
Nog eene voorzorg worde genomen. Dal geen kind wegga met hel verkeerde,
onder de armen al te algemeene denkbeeld, dat zij op eene betere wereld
hopen kunnen, omdat zij arm zijn.
Schets van de Les.
Waarom gaat een jongen naar school?
Om te leeren? Waartoe dient dat? Als
hij niet leerde — zou hij dan geschikt
zijn om zijne plaats in de wereld te ver-
vullen? De schooltijd is dus (ene voorbe-
reiding voor hetgeen naderhand komt.
Dat is ook ons leven hier op aarde —
eene voorbereiding voor hetgeen nader-
hand komt. En de dood, — wij noemen
dien het einde des levens — werkelijk
is hij het begin, omdat het volgende leven
zooveel hooger en verhevener is. Hangt
het «vooruitkomen» van een jongen niet
dikwijls af van de wijze, waarop hij zijn
schooltijd besteed heeft? — Ons volgend
leven hangt geheel af van de wijze, waarop
wij het tegenwoordige gebruiken. {Nog
een voorbeeld. — Hetgeen de landbouwer
maait hangt af van hetgeen hij gezaaid
heeft, zie Gal. VI : 7, 8).
Heden zullen wij zien wat Jezus van
deze voorbereiding leerde.
I. Eene gelijkenis, aantoonende
hoe wij ons voor de toekomende
wereld moeten voorbereiden, vers
1-8.
Een rentmeester (evenals Eliézer, Gen.
XV : 2, XXIV : 2; of Jozef in het huis
van Potifar, XXXIX : 4) — moet reken-
schap geven (Voorbeeld. — Een jongen op
een kantoor, die rekenschap moet geven
van het geld, dat hem is toevertrouwd) —
hij weet, dat al zijne rekeningen fout zijn
— hij is zorgeloos en verkwistend geweest —
hij zal «ontslagen worden» — en dan!
hij is te lui om te werken — te trotsch
om te bedelen — ellende zal zijn deel zijn.
Hij moet bijtijds vrienden maken — dan
is hij zeker van een onderkomen, Hoe!
Hij heeft goederen voor zijn meester ver-
kocht — zij zijn nog niet betaald — hij
zal de bewijzen van ontvangst veranderen —
den schuldenaren een deel hunner schuld
kwijtschelden — dan zullen zij hem dank-
baar en, wanneer het te pas komt, hem
van dienst zijn {Zie Aant. ^b).
Was dit goed? Neen; hij was vroeger
ontrouw geweest, nu is hij het nog meer —
hij benadeelt zijn meester. En toch kan
deze niet nalaten hem te bewonderen^
wanneer hij het bedrog ontdekt, vers 8 —
waarom? Omdat hij zoo voorzichtig en
zoo slim gehandeld heeft.
Maar wat bedoelt Jezus er mede? vei-s
8 — «de kinderen dezer wereld zijn voor-
zichtiger», enz. — hoe? Er zijn dingen,
waarin wij hen na mogen volgen — wij
mogen zelfs genen rentmeester navolgen
— waarin?
1. De rentmeester zorgde voor detoe*