Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
242
LH. DE GELIJKENIS VAN DEN VERLOREN ZOON.
tverd in zijne voorrechten hersteld; het
kleed, de ring, de schoenen — waren deze
voor den «huurling»? — neen, hij zal
een «kind» blijven {zie Aant. 5); (c) hij
werd niet vreugde begroet («het gemeste
kalf», de «reien», enz.). Zoo gaat het ook
met den terugkeerenden zondaar; vergiffe-
nis, Jes. LV : 7; iMicha VII : 18, 19; Ef.
I : 7; 1 Joh. I : 9; —voorrechten, Rom.
VIII : 15-17; 1 Cor. VI: 18; Gal. IV: 5,
6; 1 Joh. III : 1, 2; — vreugde, Rom.
V : 1, 2; 1 Petr. 1 : 8.
Zijn sommigen onzer in een «verge-
legen land ? »
Misschien zijn wij niet zeer ver van God;
toch niet gelijk aan één van het gezin —
wij zijn onzen «eigen weg» gegaan. Be-
denk toch! — behoorde niet een ieder
tot God te komen en te zeggen: «Vader,
ik heb gezondigd»? Is er niet iets te
belijden, iets, waarover wij berouw moeten
hebben, en waarvan wij ons moeten af-
keeren? Welnu —
De Vader strekt Zijne armen naar ons uit,
wacht er op om ons vergiffenis te schenken;
ons in genade aan te nemen en te zegenen.
Kom slechts, zooals gij zijt (wachtte de
Verloren Zoon totdat het beter met hem
gesteld was, hij betere kleederen had?) —
en gij zult gelukkig zijn, zooals hij.
Aanteekeningen.
De eerste twee van de drie gelijke-
nissen in dit hoofdstuk wijzen op den arbeid
van God bij de bekeering van een zondaar:
het schaap en de penning kunnen niets
uit zichzelf doen. De derde wijst op den
arbeid van den mensch: de verloren zoon
«komt tot zichzelven» en keert tot zijn
vader terug. In de eerste twee zoekt God
het verlorene; in de derde zoekt de ver-
lorene God.
Bijna alle Schriftuitleggers zijn van oor-
deel, dat de herder Christus voorstelt, die
het verlorene zoekt en zalig maakt; de
vrouw den Heiligen Geest (welke werkt
door de Kerk, de « kaars des Heeren» ont-
steekt en het binnenste des zondaars door-
zoekt); en de vader van de twee zonen,
God den Vader, die den boetvaardigen zon-
daar genadiglijk ontvangt. Het is nauwe-
lijks te veronderstellen, dat Christus deze
drievoudige vergelijking met de gelijkenis-
sen rechtstreeks bedoeld heeft; toch is
de overeenkomst zoo treffend, dat het denk-
beeld misschien niet geheel ongegrond is.
2. Door de twee zonen wordt, wel is
waar, niet rechtstreeks op de Joden en
de Heidenen gewezen; maar men kan er
toch, met dat doel, eene toepassing uit
trekken, juist omdat de betrekking, waarin
de Joden tot de Heidenen stonden, de
waarheid, in de gelijkenis vervat, toelicht.
De oudste zoon stelt de Farizeën voor,
de jongste « de tollenaren en zondaren »,
zooals het geheele verhaal aanduidt. De
Farizeën zijn ook de « negen en negentig
rechtvaardigen» van vers 7; maar noch
in deze uitdrukking, noch in de woorden
des vaders in vers 31, « Kind, gij zijt altijd
bij mij », is het de bedoeling van den Heer
om hunne eigengerechtige zelfverheffing
te wettigen; Hij redeneert slechts met
hen op hun eigen gebied, en in den nor-
schen en liefdeloozen oudsten zoon teekent
Hij hun beeld met genoegzame gestreng-
heid.
3. « Het deel des goeds », d. i. een derde;
de eerstgeborene ontving twee derden,
zie Deut. XXI : 17.
4. (kDrafit. Het Grieksche woord duidt
de vrucht van den kharub-boom aan, welke
ongeveer den vorm van een booneschil
heeft. Zij wordt nog steeds als varkens-
voeder gebruikt.
5. Met veel scherpzinnigheid hebben som-
mige schrijvers er zich op toegelegd om
de geestelijke beteekenis van het « kleed »,
den «ring», de «schoenen» en het «gemeste
kalf» te vinden. Waarschijnlijk was de
bedoeling van de eerste drie slechts eene
levendige voorstelling te geven van de vol-
komen herstelling tot het zoonschap — hij
zal geen « huurling» zijn. Een ring is in
het Oosten een teeken van eer en vertrou-
wen (Gen. XLI: 42; Esth. III: 10); en schoe-
nen werden niet door slaven gedragen. Het
« gemeste kalf» kan niet doelen op het offer
van Christus: het duidt eenvoudig, evenals
het «gezang» en het «gerei», eene algemeene
vreugde aan. De «kus» is een teeken van ver-
zoening, Gen. XXXIII: 4; 2 Sam. XIV : 33.