Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LIL DE GELIJKENIS VAN DEN VERLOREN ZOON.
241
gaat ook de eigenzinnige jongen zoo ver
van God, als hij kan — hy laat het bid-
den, het lezen in den Bijbel, het gaan naar
de kerk en de school, enz. na; zie Job
XXI : 14. En wat dan? Is hij gelukkig?
Natuurlijk — denk aan den Verloren Zoon
te midden zijner genietingen —alles, wat
hij begeerde, kon hij hebben — hij dacht
misschien: «Wie kan er nu vermaak schep-
pen in dat vervelende leven thuis en die
strenge vormen?» — misschien lachte hij
wel, wanneer hij aan zijn oudsten broeder
dacht, die op dezelfde rustige manier voort-
leefde. Wie onzer wordt verzocht tot eene
dergelijke handelwijze?
2. De ellende van den zwerveling.
« Alles verteerd »; zondig genot kan niet
altijd voortduren. Daarna — gaat hij weder
naar huis? Ach neen, zie vers 15 —«hij
voegde zich»; het genot der zonde was
voorbij. — Toch ging hij voort met te
zondigen, omdat hij zich niet los kon maken
van de oude gewoonte — hij is een slaaf
der zonde (Joh. VIII : 34; 2 Petr. II: 19);
dit is zoo dikwijls het geval met slechte
menschen (b.v. een dronkaard). En wat
gebeurt er dan? — »hij vergaat van
honger». Wat beteekent dat? Hebt gij
u ooit, nadat gij iets verkeerds hadt ge-
daan, diep ellendig gevoeld, zoo niet, dan
is het zeer te betreuren — dan moet de
zonde een genoegen voor u zijn. Maar
eens zult gij het veel erger gevoelen —
de wroegingen van het geweten: zij komen
altijd, vroeg of laat (Zie Spreuk. XIV: 13;
Pred. XI : 9; Jer. II : 19). Waarop gelij-
ken zij ? Op het kwellen van den honger —
het is het verlangen, het smachten naar
iets, terwijl er niets verkregen wordt. Een
verlangen waarnaar? Naar vrede, geluk,
tevredenheid met zichzelf, gerustheid. Het
vermaak is als een lekkernij — zeer
smakelijk voor een oogenblik, maar men
kan er niet van leven — men heeft trooci
noodig — het «brood des levens» (Joh.
VI : 35; Jes. LV : 1, 2).
3. De terugkomst van den zwerve-
ling, «Hij kwam tot zichzelf» —evenals
iemand, die uit den slaap ontwaakt. De
eerste schrede om gelukkig te zijn is te
gevoelen hoe ellendig men is — waarom?
Omdat men dan zal beproeven aan de ellende
te ontkomen. Indien gij slechts de zonde
I gemeldet, zooals zij waarlijk is, dan zoudt
gij trachten van haar juk bevrijd te wor-
den. Zie wat sommigen gevoeld hebben,
Ps. XXXVIH : 3, 4, XL : 13; Ezra IX: 6;
Luk. XVHI : 13. Wat gevoelt hij nog
i meer? De oorzaak zijner ellende, — zijn
weggaan van huis — hoe gelukkig had hij
I kunnen zijn! en nu «niet meer waardig
een zoon genaamd te worden.» Daarop
een goed besluit — «ik zal opstaan », enz.
— en « zal tot hem zeggen », enz. — geen
vergoelijking, geen verontschuldigingen.
En is het alleen een besluit ? — Hoe vele
goede dingen zijn wij voortiemens te doen,
die nimmer gedaan worden! Neen, hij staat
op en gaat terstond.
Hier zijn de vier kenmerken van waar
berouw: — overtuiging van zonde («hij
kwam tot zichzelven»); zelfverloochening
(«niet meer waardig»); bekentenis («zal
tot hem zeggen»); bekeering («en op-
staande ging hij»).
4. De herstelling van den zwerveling
in zijne vroegere plaats. Welk eene ont-
vangst! Onverdiend en onverwacht! Hoe
ruim is Gods liefde! En hoe weinig weten
wij er van. « Als hij nog ver was » — alsof
de vader met verlangen naar hem uitziet:
zoo is ook God meer geneigd om te hooren,
dan wij om te bidden »; en bedenk hoe
bewogen Jezus was over Jeruzalem, zelfs
al « wilden zij niet » tot Hem komen (Luk.
XIII : 34). Zie wat de verloren zoon bij
zijne terugkomst ontvangt: — (a) Hij
kreeg vergiffenis («kuste hem»); (b) hij
16