Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
240
LH. DE GELIJKENIS VAN DEN VERLOREN ZOON.
maar waar? Terwijl de Farizeën murmu-
reeren, verblijden zich de engelen.
Is dit niet genoeg? Toch heeft Jezus nog
eene belangrijker les voor hen — Hij zal
hun hun eigen beeld laten zien, en dat
van die verachte zondaren, zoodat zij het
niet licht zullen vergeten — de Gelij-
kenis van den Verloren Zoon. {Lees
haar).
I. De oudste zoon — een beeld
van den eigengerechtige.
Het is avond — hij komt terug van
zijn werk — hoort een ongewoon leven
in het huis — een gejuich als van groote
blijdschap. Natuurlijk is hij zeker, dat er
iets goeds gebeurd is — zal hij verheugd
met de anderen instemmen? Neen — op
norschen toon vraagt hij: «Wat is het?»
« Zijn broeder! Zulk een onwaardige —
is er vreugde, omdat hij terug is gekomen! »
Zie hoe hij zich met wrevel en haat af-
keert. Dan gaat de vader tot liem uit —
met toorn? — berispt hij den ontevredene
op strengen toon? — gebiedt hij hem
binnen te komen?Neen—«hijbad hem».
Merk op het antwoord van den zoon: —
(a) Hij verheft zich op zijne eigen deugd.
Welnu, indien deze zoo groot ware, welk
verdienste zou dit dan zijn? Hij zou slechts
zijn plicht gedaan hebben. (6) Hij beklaagt
zich, dat hij niet beloond is geworden.
Hoe? Over het deel zijns broeders is reeds
lang beschikt, dus nu behoort alles hem
toe (vers 31) — «wat verlangt hij nog
meer?» (c) Hij wil den zwerveling niet « zijn
broeder» noemen — zie vers 30 («uw
zoon »). Is dit zulk een deugdzaam gedrag?
<2ie Aant. 6).
I Zouden de Farizeën de gelijkenis zien?
(a) Verhieven zij zich niet op hun eigen
goedheid? Luk. XVHI: 11. (6) Hoe kwam
het dan, dat zij die niet toonden? Hier laat
Jezus zondige menschen tot zich komen.
Hij verkondigt hun Gods liefde, moedigt
ze aan om tot God terug te keeren. Zij
maken er aanmerkingen op. Maar wie zijn
deze menschen? Hun eigen broederen.
Noemen zij hen niet gaarne zoo ? — Zoo-
veel te erger — het bewijst hoe trotsch
en zelfzuchtig hun hart is. Indien het waar
was, waarop zij zich verhieven, dan zouden
zij zich verheugen evenals de engelen, even-
als Jezus zelf (Luk. X : 21).
Gelijkt gij ooit op de FarizeSn, op den
oudsten zoon? Is het u een genoegen te
zien, hoe de dienaren Gods (b.v. uw onder-
wijzer) alles doen wat zij kunnen voor een
ondeugenden jongen? Ziet gij gaarne een
slechten jongen terugkeeren tot God?
Zijt gij nooit in uw schik geweest, wanneer
een oppassende jongen een misslag beging?
n. De jongste zoon — een beeld
van den afdwalenden en terugkeerenden
zondaar.
1. De zwerveling. Een gelukkig tehuis —
een liefhebbend vader — overvloed van
alles — waartoe die ontevredenheid? Wat
deed hem het deel zijns «goeds» vragen?
Hij wilde zijn eigen weg gaan — doen
wat hem behaagde. Hoe vele jongens en
meisjes willen hetzelfde! Wij moeten allen
zeggen: «Wij keeren ons een iegelijk naar
zijnen weg» (Jes. LUI : 6); wij hebben
te veel de begeerten van ons eigen hart
gevolgd. Onze eigen weg — de bron van
alle zonde en ellende. Niets is zoo moeilijk
als het afstand-doen van onzen eigenwil:
hebt gij dit ooit blijmoedig gedaan? Indien
iemand zijn «eigen wil» mócht hebben,
dan was het waarlijk Jezus; en toch, wat
zeide Hij? Luk. XXH : 42. Somtijds wen-
schen wij onzen eigen weg te gaan, maar
doen het niet dadelijk — wij schamen ons
een weinig; zoo was het met dezen jong-
sten zoon — hij ging niet terstond weg,
maar «niet vele dagen daarna»; en zoo
is het ook met ons.
Waar ging hij toen heen? vers 13; zoo