Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
239 LH. DE GELIJKENIS VAN DEN VERLOREN ZOON.

Tegelijkertijd staat de geschiedenis zoo volkomen alleen in hare roerende
teederheid, dat een ernstig onderwijzer zich gedrongen gevoelt alle quaesties
over haar historisch verband te laten rusten en zich alleen bij het verhaal
in zijne eenvoudige en rechtstreek sehe toepassing te bepalen. Dit wordt dien-
overeenkomstig gedaan in afdeeling II; en opdat de zeer belangrijke, ofschoon te
dikwijls voorbijgeziene geschiedenis van den oudsten zoon niet weggelaten
worde, is deze in afdeeling I het eerst genomen, omdat daar hare toepassing op
de Farizeën hel best uitkomt; de leedere liefde des vaders jegens den terug-
gekeerden zoon komt zoo, in al hare IrefTende schoonheid, aan het einde van
de Les. Op de andere gelijkenissen kan alleen in het voorbijgaan gewezen
worden; en het onderwerp van het a Verloren Schaap j> komt reeds voor in
Les XXXII en XLVIIL
De volgende Schets kan niet korter gemaakt worden; maar het zal niet mo-
gelijk zijn haar in haar geheel te onderwijzen. Vele onderwijzers zullen liever
alleen afdeeling II nemen, en dit mag ook niet afgekeurd worden; toch moet
men, vooral met oudere leerlingen, even stilstaan bij het eerste gedeelte.
Wanneer men het verhaal van de ellende en het berouw van den Verloren
Zoon toepast, drage men zorg niet de noodzakelijkheid aan te nemen, dat
kinderen een diep en overweldigend gevoel hunner zonde hebben. Liever
waarschuwe men hen voor het lijden, dat zeker volgen zal, indien zij in de
zonde volharden, terwijl de Les, die men hun voorhoudt, zij: — «Heilswaar,
gij zijt misschien niet gelijk aan den Verloren Zoon; maar gij hebt een weinig
gedwaald; zelfs voor uwe kleine zonden hebt gij bekeering van noode,» enz.
Schets van de Les.
Toen Jezus in Galilea was, hebben wij
gezien hoe Hij de Farizeën en de tollenaars
bezocht, en hoe de eersten afkeurden, dat
Hij tot de laatsten ging; Luk. V : 29, 30,
VH : 34 {Les XXVI, XXX). Nu gebeurt
hetzelfde in Perea. Hij eet met de Farizeën
{vorige Les) en niettegenstaande hunne
tegenwerpingen, ook met de tollenaars,
vers 1, 2. Indien nu deze «tollenaars en
zondaars » werkelijk slechte menschen wa-
ren, waarom kwamen zij dan bij Hem?
Waarom ging Hij tot henf {Voorbeeld.—
Wanneer een slechte en een goede jongen
veel samen zijn, dan zal öf de slechte
jongen den goeden tot kwaad verleide77^
óf de goede jongen zal den slechteyx op
het rechte pad terugbrengen).
Zie hoe Jezus de tegenwerpingen der
Farizeën beantwoordde {Lees vers 1—10).
Waren de tollenaars afgedwaald? — dit
was ook met de vermiste schapen gebeurd;
toch ging de herder hen na — waarom? zij
waren zijn eigendom, en dus waard om
teruggevonden te worden. En de penning
ook — moest de vrouw niet eerst« naar-
stiglijk zoeken» vóórdat zij het opgaf dien
terug te vinden ? — En zou niet de Messias
de Herder van Israël, aan wien allen toe
behoorden, de rechtvaardigen en de on
rechtvaardigen, het Zijne zoeken? En wan
neer het schaap of de penning waren ge
vonden, wat zou de tijding daarvan ver
oorzaken? Blijdschap? Zoo ook met den
zondaar — deze zelfde tollenaren en slechte
menschen — was er geene blijdschap,
wanneer zij teruggebracht werden? Ja —