Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. DE VLEESCHWORDING.
4. Toch was Hij altijddoor God. Zie
wat voorspeld was, Jes. VII : 44, IX: 5—
het kind zou de «Sterke God» zijn; en
wat beteekent «Immanuel»? Matth. 1: 23.
En in zijn leven zien wij de Godheid en
de Menschheid beide tegelijk; b.v. op het
meer is het de vermoeide, die in slaap
gevallen is, maar die, ontwaakt, den storm
doet bedaren; te Bethanië is het de
weenende, die den doode tot het leven
roept, enz. enz.
Het is het aardsche leven van dezen
.lezus, «waarlijk God en waarlijk mensch»,
dat wij nu zullen gaan lezen,
II. Waarom God de Zoon,
mensch werd.
Om de zonde weg te nemen, 1 Joh.
III : 5, 8. Zie Ps. XIV: 2, 3 — «de Heer
heeft nedergeziena; wat zag Hij? (Verg.
Gen. VI : o). Denk aan al de ellende, die
deze zonde veroorzaakt heeft. God wensch-
te dat wij gelukkig zouden zijn — dan
inoet de zonde weggenomen — hoe dit te
doen? Zie Hebr. IX: 26; Jes. LIH : 6. Dus
hoe wordt Christus genoemd? Joh. 1:29.
2. Om de geheele wet Gods te gehoor-
zamen, Hebr. X : 7. Waartoe? Om den
Hemel voor zich zelf te verkrijgen? —
Maar Hij was daar reeds. Zie waarom,
Rom. V : 19, X : 4.
3. Om de macht des doods weg te nemen
en ons het leven te geven, Hebr. II : 14;
Joh. X : 10.
4. Om in staat te zijn met ons mede
te gevoelen, Hebr. H : 17, 18.
5. Orn ons een voorbeeld te geven,
Joh. XIH : 15.
6. Om God aan ons te openbaren. Wat
weten de menschen van God ? 1 Oor. 1: 21.
En wat denken zij toch dikwijls? Ps. L: 21.
Jezus toont God aan ons, Joh. I : 18;
Luk. X : 22. Hoe? Joh. XVI : 9; Col.
1 : 15.
7. Om ons God te doen liefhebben. Doen
wij dit van nature? Rom. VIII : 7. Maar
hoe kunnen wij het nalaten, wanneer wij
zulke liefde zien? 1 Joh. IV : 10, 19;
2 Cor. V:14, 15.
8. Om God en den menscli te vereenigen.
Hield de mensch Jezus op te leven, toen
de Zoon van God ten Hemel voer? Wat
zag Stephanus? Hand. VH : 50. Zoo nam
de Zoon voor af/yd de menschelijke natuur
aan; en wat geeft Hij ons? 2 Petr. I : 4.
Hoe wonderbaar!
Welk een onderneming is zulk een werk!
Geen wonder, dat alleen God het kan doen.
Stel u voor dat iemand al deze zegeningen
verliest. Stel u voor dat iemand ze afwijst,
of er niet om geeft! Doet gij dat? Gij
hebt het voorrecht er van te weten —
«ontvangt deze genade Gods niet te ver-
geefs!» Zoo schreef Paulus aan de Corin-
i thiërs, en wat zeide hij vervolgens? 2 Cor.
VI : 1, 2.
Aanteekeningen.
1. De teksten, die opgegeven zijn om
te leeren, vereischen eenige toelichting.
Joh. I ; 14. «Het Woord is vleesch ge-
worden», enz. De benaming «Woord»,
op den Zoon van God toegepast, is eigen-
aardig aan Johannes. Zij doelt op het
bijzondere karakter van den Zoon, die
kwarn om den Vader te openbaren. Door
woorden deelt een mensch zijne gedachten
mede en openbaart die. In het eerste vers
van dit Evangelie gebruikt Johannes de
benaming zonder omschrijving, als eene,
die dadelijk door de lezers begrepen wordt,
waarschijnlijk tengevolge van haar gebruik
in de wijsgeerige geschriften van dien tijd,
welke (hoe belangwekkend ook) niet nader
kunnen behandeld worden. Maar eenige
gelijkluidende plaatsen in het Oude Tes-
tament mogen hier in aanmerking komen,
Ps. XXXIIi : 4, 6; CVÜ : 20; CXIX:89;
Job XXVHI : 12, enz.; Spr. VHI : 9.
«Is vleesch geworden». «Vleesch» staat