Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
238
LH. DE GELIJKENIS VAN DEN VERLOREN ZOON.
Aanteekeningen.
1. Ofschoon er in dit gedeelte van het
Evangelie van Lukas bijna geene plaats-
bepalingen voorkomen, bestaat er gegronde
reden om te gelooven, dat de meeste
voorvallen, enz. in Perea plaats hadden.
De loop van den arbeid van Christus aldaar
schijnt, hetgeen ook te verwachten was
in eene landstreek, die nog niet door Hem
was bezocht, gelijk geweest te zijn aan
dien van Zijn vroegsten arbeid in Galilea,
behalve dat in Zijne toespraken alhier een
weerklank is op te merken van Zijn nade-
rend uiteinde.
Of men Lukas XI : 29 — Xlt : i aan
kan voeren als eene beschrijving gevende
van de uitwerking, welke de prediking
in Perea had, is zeer twijfelachtig. Het is
zeker, dat Luk. XI: 44—28 niet op zijne
ware plaats staat en blijkbaar tot een
veel vroeger tijdperk behoort (zie Les
XXXIII): en sommigen denken, dat het-
geen volgt, tot aan het einde van hoofd-
stuk XII, tot hetzelfde gedeelte gebracht
moet worden, daar het verband schijnbaar
duidelijk is. Maar de toon van het laatste
gedeelte van hoofdst. XI en van hoofdst.
XII is veel meer in overeenstemming met
dien van een later tijdperk.
2. Over de opmerking van den gast,
vers 15, zegt Stier: — «Zijne woorden,
hoe vroom zij ook klinken, bevatten een
drievoudige verborgen ongepastheid: —
Ten eerste, zijne zinnelijke opvatting van
de opstanding, — dan zijne vaste verze-
kerdheid, dat hij er recht op heeft als
Farizeër — eindelijk de trage gelatenheid,
waarmede hij de zaak in de verre toe-
komst stelt. Hij zit genoeglijk aan de
tafel van Zijn vriend en praat over de
Hemelsche tafel----» Maar het is zaak
«om nu te komen, en niet met gemaakte
vroomheid over toekomstige zaligheid te
spreken.»
3. De gelijkenis van het Groote Avond-
maal moet zorgvuldig onderscheiden wor-
den van die van het Bruiloftsmaal in
Matth. XXII. Laatstgenoemde is meer
samengesteld in de inkleeding en van
strenger toon.
De gewoonte om een knecht uit te
zenden, ten einde de reeds genoodigde
gasten te roepen, bestaat nog in den
Libanon.
De drie «verontschuldigingen» stellenden
invloed van aardsche bezittingen, zaken
en de banden des huwelijks voor. Het
onderscheid tusschen de twee eerste is,
dat de eene man heeft, de andere in
het bezit komt. Merk op, dat de bezigheden,
die opgegeven worden, niet zondig zijn;
de gelijkenis toont het gevaar aan van
zelfs met geoorloofde zaken te veel ver-
vuld te zijn.
4. Vers 24 schijnt te zijn, niet het be-
sluit van de gelijkenis, maar Christus*
toepassing er van in Zijn eigen persoon.
In de gelijkenis richt de gastheer het
woord tot één dienstknecht en zijn de
werkwoorden in het enkelvoud; in vers
24 doelt het meervoud « ulieden » op de-
genen, die mede aanzaten met Jezus. De
plotselinge overgang en de uitdrukking
« Mijn avondmaal» moeten zeer verras-
send geweest zijn.
Les LII. — De Gelykenis van den Verloren Zoon.
^ Er is blijdschap in den hemel over éénen zondaar, die zich bekeert».
Te lezen — Luk. XV.
Te leeren — Luk. XV : 20, 21; Micha VII : 18, 19. (Ps. 43 : 3, 4; Gez. 84 : 1).
Voor den Onderwijzer.
In overeenstemming met de historische methode, overal in deze Lessen
aangenomen, volgens welke de leeringen van onzen Heer beschouwd worden
in het licht van de voorvallen en omstandigheden, die er toe leidden, worden
de gelijkenissen van dit hoofdstuk in de Schets behandeld als het eigenlijke
en voornaamste antwoord van Christus op de murmureeringen der Farizeën.