Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
LI. DE MAALTIJD VAN DEN OVERSTE DER FARIZEËN.'
237
eigen feestmaaltijden — iedereen was zoo
blijde met de uitnoodiging, zoo gereed om
te gaan, zoo ongeduldig om een goede
plaats te krijgen! en nu de Koning zelf
bij hen is — nu zien zij Hem aan met
i onverschillige blikken, richten minachtende
woorden tot Hem, «verontschuldigen zich
eendrachtelijk». Maar wat dan? vers 24 —
«dat hemelsche feest, dat gij zoo zalig
acht, gij zult er geen van allen deel aan
hebben» {zie Aant. 4); en wiens schuld
is dit! Maar wie zouden dan wel de «za-
ligen n zijn? Het volk, dat zij verachtten.
Hoe zou dat zijn? Omdat er nog een
verschil was tusschen den maaltijd Gods
\ en hunne maaltijden: —
, 2. Verschillend ten opzichte van Hem,
^ die uitnoodigt.
J Wie noodigden zij uit, wanneer zij een
i maaltijd aanrichtten, en waarom? vers 12 |
ï (hiervóór). Maar God — (a) wie noodigt
\ Hij uit? zie de gelijkenis — «de armen, de
f verminkten», enz. — hen, die het Hem
( niet weder kunnen vergelden — wie zijn
j zij 7 — de tollenaars en zondaars (zie Mark.
' ÏI: 16) — ja, en er is nog meer ruimte —
de verachte Heidenen ook, van de «wegen
' en heggen j» {buiten de stad), zie Matth.
VHI ; 11. Zegt gij, dat dezen niet uitge-
noodigd werden, totdat de gasten, die eerst
bedoeld waren, hadden geweigerd? —ja,
maar allen, zelfs zij, die het eerst werden
gevraagd, zijn onwaardig in Gods oogen
(Openb, Hl: 17) — green hunner kan 5ewi
eenigermate vergelden (1 Kron. XXIX : 14;
Luk. XVH : 10). (&) Waarom vraagt God
<lezulken? Uit ontferming —ify ontvangt
er niets door, maar Hij heeft ons lief,
Rom. VHI : 8; Ef. II : 4, 5. Het is dus
eene uitnoodiging om niet, en zij wordt
aan allen gedaan, Jes. LV : 1, 2; Openb.
XXH : 17.
Hier is eene uitnoodiging ook
voor ons. — «/Comt, want alle dingen
zijn nu gereed».
Waartoe worden wij genoodigd? Om in
Christus^ gezelschap te zijn. Hij zal komen
en nu «Avondmaal met ons houden»
(Openb. 111 : 20) — Hij zal ons tot zich
nemen, om hiernamaals « Avondmaal met
ons te houden » tekst om te leeren) —
wat wordt hiermede bedoeld? Dat wij
volkomen gelukkig zullen zijn (Ps. LXXIII:
26), alles zullen hebben wat wij behoeven
(Phil. IV: 19) en het om niet zullen hebben
(\i>te teksi om te leeren). Zelfs op aarde
zijn de gelukkigste menschen zij, die tot
Christus gekomen zijn — en wie anders
dan zij zullen hiernamaals gelukkig
zijn?
Maken wij verontschuldigingen? Som-
migen verontschuldigen zich op dezelfde
wijze, als de menschen in de gelijkenis
dit deden, (a) Gij hebt niet «een akker
gekocht»; maar gij hebt iets, waarvan gij
wilt genieten, en wilt gij het niet verlaten
om Christus te gehoorzamen? (b) Gij behoeft
niet uw vijf juk ossen te beproeven;
maar hebt gij niet zooveel te doen, uw
werk voor school, in den winkel, uw huis-
lijke plichten, dat gij geen tijd hebt om
aan Christus* uitnoodiging te denken? (r)
Gij zijt niet gelijk aan den pas getrouwden
man; maar zegt gij misschien: «Ik houd zoo-
veel van dezen of genen vriend, dat ik geen
afstand van hem kan doen voor Christus »?
Wat zal nu het gevolg van die veront-
schuldigingen zijn? Wij kunnen wel (even-
als de man in vers 15) zeggen: «Zalig is
hij », maar «niemand van die mannen zal
Mijn avondmaal smaken.» Wanneer het
Hemelsche feest een aanvang neemt, wor-
den wij « buitengesloten ».
Bedenk, dat Christus u roept. Zijne armen
naar u uitstrekt, en zeg: « O Lam Gods,
ik kom!»