Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
233
LI. DE MAALTIJD VAN DEN OVERSTE DER FARIZEËN.' 257
werk, na al de harde Sabbatswetten, die
zij het arme volk oplegden? En hun ge-
moed — het is vol van afgunst jegens
elkander, van kwaadwilligheid tegen Hem 1
Hoe toont Hij hun wat de ware Sabbats-
viering is? vers 2—6 {Zie Les XXXI).
Maar zie nu — Indien zij Hem met
kwaadwilligheid waarnamen. Hij nnierkte»
hun gedrag «aan» (vers 7) met droefheid
en rechtmatigen toorn.
n. Wat Jezus zeide omtrent de {
maaltijden der menschen.
Een woord tot de gasten, vers 8—11.
Hij maakt aanmerking op dat zoeken naar
de beste plaatsen — hoe toont Hij er
de dwaasheid van aan? Maar veronder-
stel nu, dat een van hen den volgenden
keer, dat hij naar een feest ging, zoude
zeggen: «Ik zal op eene lage plaats gaan
zitten — dan zal ik verhoogd worden» —
zou dit zijn hetgeen Jezus wenschte? Neen,
dat zou in werkelijkheid even zelfzuchtig
zijn. Zie vers 7 — dit alles is eene «gelij-
kenis B — er wordt iets mede bedoeld,
wat niet dadelijk in het oog springt. Wat?
vers 41 — «een iegelijk, die zichzelven
verhoogt, op welke wijze ook., wat gebeurt
er met hem ? En wie moet verhoogd wor-
den? die zichzelf «vernedert», omdat hij
zich onwaardig acht (Verg. Ps. Lï : 19,
CXXXVHI:6; Spr. Hl: 34; Jes. LVH: 15;
Jak. IV : 6; 1 Petr. V:5). Vergelijk, om
hier het treffende voorbeeld van te zien,
Jes. XIV : 12-15 met Phil. II : 5-11.
W^at deden nu al deze Farizeën? Achtten
zij zichzelven niet Gods gunst waardig te
zijn, en verachtten zij niet alle anderen?
Luk. XVIII : 9—14; was dit niet de oor-
zaak, dat zij Jezus verwierpen ? Zijne gelij-
kenis beteekent dus: «Gij, die de beste
plaatsen zoekt, wordt in andere en groote
zaken door denzelfden geest gedreven —
weest voorzichtig — dezelfde uitkomst
zal er op volgen ».
Een woord tot den gastheer, vers 12—14.
Wat bedoelt Hij? Mogen de rijken in het
geheel niet hunne eigen vrienden uitnoo-
digen ? Voorzeker; het is maar als voorbeeld
gebruikt (iets dergelijks als Matth.V;39,40).
Jezus bedenkt waarom deze feesten gegeven
werden, in de hoop van eene «vergelding»
(vers 12) te ontvangen — van wie? van
menschen — zij bekommerden zich hierom
meer dan om de vergelding van God —
en evenzoo in andere zaken, zie Matth. VI:
1—6, XXIH : 5—7; Joh. V : 44, XH: 43.
Hoe zullen zij van God vergelding ont-
vangen? vers 13, 14. Alleen op deze wijze ?
Neen, want niet allen kunnen aldus doen;
Jezus bedoelt alles, wat onzelfzuchtig is, wat
uit liefde voor anderen gedaan wordt; zie
Phil. H : 3, 4.
m. Wat Jezus omtrent Gods
maaltijd zeide.
Hij heeft van eene groote belooning
hiernamaals gesproken, vers 14. Een gast
(vers 15) denkt aan het groote maal, waar-
naar de Joden met verlangen uitzagen,
wanneer de Messias zoude komen {verg.
Les XXIII) — «0, hoe gelukkig zouden zij
dan allen zijn!» {Zie Aant. 2). Maar in-
dien hij daar niet ware — hieraandenkt
hij niet. Jezus antwoordt dus door eene
gelijkenis {lees vers 16—24), en spreekt
hem over het verschil tusschen den
maaltijd Gods en hunne maal-
tijden.
1. Verschillend ten opzichte van dege-
nen, die uitgenoodigd worden.
De Farizeën dachten, dat zij zeker konden
zijn, goede plaatsen te zullen hebben in
het Koninkrijk Gods. Welnu, wilde Jezus
zeggen: «Gij zi^i uitgenoodigd — gij hebt
aangenomen (geeft voor dienstknechten
Gods te zijn) — maar nu is alles gereed —
Gods gezanten (Johannes de Dooper, Jezus
zelf) roepen u nu — en gij wilt niet
komen». Welk een verschil met hunne