Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
232
L. HET LAATSTE VERTREK UIT GALILEA.
«Hij richtte Zijn aangezicht.» Wat is «Zijn
aangezicht? (Voorbeeld. — Uiv vader
zegt, dat hij dit of dat doen zal; gij
weet, uit zijn beslisten oogopslag, dat hij
het meent. Of gij zet er u zelf toe om
eene moeilijke som op te lossen, en op uw
gelaat is het uitgedrukt). Maar hoe moei-
lijk is het, om « het aangezicht te richten»
tot smart en lijden! (Voorbeeld. — Een
gewonde met eene pijnlijke amputatie in
het vooruitzicht). Zie nu hoe Jezus, die
alles vooruit weef, « Zijn aangezicht richt,»
zooals van Hem voorspeld was, Jes. L: 7
(«mijn aangezicht gesteld als een kei-
steen»; en zie vers 5, 6.) Evenals Paulus
(Hand. XX : 24), «hij achtte op geen ding».
Kon Hij er zich aan onttrekken? Matth.
XXVI : 53; Joh. X : 18. Waarom wil Hij
niet? Denk eens na.
3. Wat deed Hem volharden? Drie
zaken: (ct) Dat het de wil Zijns Vaders
ivas (Zie Jes. LHI : 10; Rom. VHI: 32).
Dit was genoeg voor Jezus, Joh. IV : 34;
XVH : 1. (6) Zijne liefde voor zondaars.
Deze deed Hem van den hemel komen,
2 Cor. VIII : 9; en zal zij Hem nu be-
geven? Neen — «Hij heeft liefgehad tot
het einde». Joh. XHI:1. (c) De vreugde,
die Hem voorgesteld wasD (1ste tekst
om te leeren): wat zegt Lukas? —«toen
de dagen vervuld werden». — Welke
dagen? — opneming» (Zie Aant.
1). Hij ziet verder dan het kruis en het
graf — ziet de heerlijkheid, die volgt: de
heerlijkheid, die Hij te voren had (Joh.
XVH : 5), en de nieuwe heerlijkheid als
volmaakt Mensch (Phil. II : 9) — ja, en
nog iets anders — Hij zal niet alleen zijn —
duizenden zielen, die gered zijn, zullen bij
Hem wezen — dit is Zijne vreugde (Zie
Jes. LHI : 11; Joh. XVH : 24; Hebr.
H : 10—13; verg. 1 Thess. II : 19).
Wie kan zien hoe Hij «Zijn aangezicht
naar Jei uzalem richt» zonder Hem lief te
hebben ? Wie kan zich van zulk een Heiland
afkeeren ?
II. Zie welke menschen geroe-
pen werden met Hem te gaan en
hoe zij handelden.
1. De ^posrete«. Dezen natuurlijk. Maar
zie wat zij verwachtten — wat zij dachten
en gevoelden, vers 52—56.
Hier is een vlek der Samaritanen, juist
op de grens van Galilea (Zie Aant. 2).
Twee Joden gaan het binnen — hoor,
wat zij uitroepen — «De Koning, de
Messias komt, maakt u gereed om Hem
te ontvangen!» (Zie Aant.Z). Zullen deze
Samaritanen evenals die van Sichar (Joh.
IV : 40) verheugd zijn, dat Jezus bij hen
is ? Wanneer niet ? vers 53 — « Die Messias,
dit is de ware Messias niet, die naar Jeru-
zalem gaat om Koning te zijn in plaats
van naar den berg Gerizim; wij willen
niets met Hem te doen hebben.»
Wat zeggen de Apostelen hierop? Zij
denken aan hun Meester, niet als den
lijdenden Vriend van zondaars, maar
als den grooten Koning der Joden, die
eindelijk zal gaan regeeren, terwijl zij
deel zullen hebben aan Zijn triomf —
zullen zij zulke beleedigingen gedoogen?
De «zonen des donders» (Mark. III : 17)
willen dit zeker niet; wien herinneren
zij zich en wenschen zij na te doen? vers
54 (Zie 2 Kon. I : 10—14). Hetgeen
Johannes kort te voren was, vers 49 —
hoe werd hij toen bestraft? — dat is hij
ook nu weder, vers 55, 56 (Zie Aant.
3). Indien zij zoo trotsch, opvliegend,
onmeedoogend zijn, hoe kunnen zij dan
volgelingen wezen van den geduldigen,
nederigen Meester? Zijn zij zoo vast be-
sloten, en «richten hun aangezicht» om
hunne vijanden te bestraffen? — welnu
— Hij is ook vast besloten — en nog
veel meer — maar om wat te doen?
vers 56 — «om de menschen zalig te