Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
231 L. HET LAATSTE VERTREK UIT GALILEA.

moeten gevoelen, dat eene eenvoudige voorstelling van den «Leidsman en
Voleinder» des geloofs in Zijn wonderbare liefde en zelfopoffering toch eigenlijk
de beste en krachtigste leering is.
De voorvallen echter, welke Lukas verbindt met het aanvaarden dezer
laatste grootste reis, zijn zeer goed geschikt voor de algemeene beschouwing
van het onderwerp, daar zij de tegenstelling van den Meester en de discipelen
in het licht stellen — hetgeen Lukas' voornaamste doel schijnt geweest te zijn in de
schikking van dit verhaal. Toch is de eerste helft van de volgende Schets van
veel meer belang dan de tweede, ofschoon zij slechts over een enkel vers
handelt.
Het voorval met de Tien Melaatschen, in Luk. XVll, had waarschijnlijk
ook in dezen tijd plaats (zie hetzelfde Aanhangsel) en in de Schets wordt er
in het voorbijgaan op gezinspeeld. Het was onmogelijk in deze Serie eene
afzonderlijke Les over dit wonder in te voegen; en Les XXII geeft over dit
onderwerp reeds veel bijzonderheden.
De voorbeelden, in de Schets gebruikt, moeien niet gerekend worden
op voldoende wijze uitdrukking te geven aan hetgeen in het hart, in den
geest des Heeren omging; maar het gebruik er van is evenzeer gewettigd als
de gewone uitdrukkingen der Schrift omtrent Gods «oog» of «arm», het
«berouw hebben» van den Heer, het «ruiken van een lieflijken reuk», enz.;
maar zij moeten noodzakelijk met eenige voorzichtigheid aangewend worden.
Schets van de Les.
Wat gevoelt iemand, die eene plaats
gaat verlaten, waar hij jaren gewoond
heeft? {Voorbeeld. — Een jongen verlaat
de dorpsschool om naar de stad te gaan;
of landverhuizers, die juist vertrekken).
De Heer Jezus was «in alles Zijnen broe-
deren gelijk » (Hebr. 1[: 17) en wij naderen
nu tot een tijdstip, waarop Hij datzelfde
moet gevoeld hebben.
Jezus verlaat Galilea — verlaat het om
te gaan sterven. Hoe lang was Hij daar
geweest? Denk aan de twee tijdperken.
Vele jaren als een arm timmerman in
een stil dorp; dan (na eenige maanden
afwezigheid) bijna twee jaren « rondreizende
en goeddoende» (Zie ZesXXI). Ongetwij-
feld was Zijn gevoelig hart treurig gestemd,
toen Hij deze bekende plaatsen en ge-
zichten moest verlaten. Maar er was nog
eene andere reden tot treurigheid —
sommigen hadden in Hem geloofd en Hem
liefgehad, maar hoe was het met het volk
in het algemeen gesteld ? (Zie eenige verzen
verder, X : 13-15).
Zij, die hun huis verlaten, hebben gaarne
twee zaken: — {a) Blijde vooruitzichten
vóór zich — dan kunnen zij gemoedigd
gaan. {b) Trouwe en liefhebbende metge-
zellen. Zien wij nu hoe het met Jezus
stond.
I. Denk aan Jezus zelf en waar
Hij heenging, vers 51.
1. Wat had Hij in 't vooruitzicht?
«Jeruzalem» — en wat daar? Zou Hij
meer welkom zijn bij geleerde priesters
en Schriftgeleerden, dan bij het onwetende
landvolk? Wat was er gebeurd, toen Hij
daar vroeger heen was gegaan ? {Les XXIX,
XLVI). Wij weten wat komen moest;
wist ifi/het? Wat had Hij tot de Apostelen
gezegd? Zie vers 22, 44.
2. Wat deed Hij, terwijl Hij dit wist?