Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
230
L. HET LAATSTE VERTREK UIT GALILEA.
fjeest, waarin alles gedaan moet worden,
niet toornig en haatdragend, maar liefdevol
en leeddragend moet zijn.
Waarschijnlijk had de Heer, toen Hij
voorschreef het der « Gemeente » te zeg-
gen, de tucht der apostolische gemeente
op het oog, zoodra de inrichting van deze
gereed zou zijn; maar de geest van het
gebod liet evenzeer een beroep op een
kleinen Christelijken kring toe, want in
vers 20 wordt de « Gemeente» duidelijk
aangeduid, als «waar twee of drie ver-
gaderd zijn in Mijnen naam».
Vers 18 geeft aan de gemeente in het
algemeen het gezag, dat reeds aan Petrus
was gegeven in hoofdst. XVI : 19 {Zie
Les XLIII, Aant. 6).
2. De Rabbi's leerden, dat het plicht was
om driemaal te vergeven, en crondden dezen
plicht op Job XXX Hl; 29; Amos 1:3,11:6.
3. In de gelijkenis waren de «dienst-
knechten » klaarblijkelijk Satrapen, of be-
stuurders van provinciën, verantwoordelijk
voor groote inkomsten van de koninklijke
schatkist. Geen particuliere schuld kon zoo-
veel bedragen. Trench vergelijkt de som
met de negen en twintig talenten, bij het
bouwen van den Tabernakel gebruikt, de 120
talenten, door de koningin van Scheba aan
Salomo aangeboden, het eene talent, door
Farao Necho als schatting van Juda ge-
etscht, enz. Deze waren echter gouden
talenten, die de waarde hadden van ruim
65 duizend gulden. Maar de talenten in de
gelijkenis waren denkelijk zilveren talenten,
en deze bedroegen ruim 4 duizend gulden.
De « honderd penningen » waren ongeveer
36 gulden.
4. Slavernij voor schuld was bij de
Joden toegelaten, zie Exod. XXH : 3; 2 Kon.
IV : 1; Neh. V : 8; maar de hardheid
dier gewoonte werd verzacht door de wet
van het Jubeljaar, Lev. XXV : 39, 47,
54. De vermelding van gevangenneming
en marteling toont echter, dat de gelijkenis
meer gegrond was op de wetten van het
Oostersche despotisme.
5. De gelijkenis moet niet zóó voorge-
steld worden, dat de kinderen er uit zouden
kunnen opmaken, dat de vergeving van
zonden ooit door God wordt geschonken
om naderhand weder te worden ingetrok-
ken. Het is een van die gevalllen, waarin,
voor den vorm van het verhaal, eenige
voorvallen toegevoegd moeten worden, die
geene geestelijke beteekenis hebben. Wij
verklaren het liever aldus: — God heeft
als het ware een algemeene vergiffenis
uitgeschreven voor allen, die zich bekeeren
en in Zijn Zoon gelooven; en vergevens-
gezind te zijn is mede een toetssteen van
de echtheid der bekeering en van het
geloof.
Les L. — Het laatste vertrek uit Galilea.
« Hij richtte Zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen.»
Te lezen — Luk. IX : 51—62.
Te leet^en — Hebr. XH : 1, 2; Luk. IX : 62. (Gez. 121 : 3, 5).
Voor den Onderwijzer.
Wij zijn nu genaderd tot een zeer belangrijk tijdperk in het leven van
Christus (Zie hierover het Aanhangsel over de Tijdrekening, blz. 222). Op dit
tijdperk moet zooveel mogelijk klem gelegd worden; en, van dezen tijd af,
behoort men onzen gezegenden Heer altijd voor te stellen als met Zijn aan-
gezicht naar Jeruzalem — natuurlijk niet letterlijk, maar met betrekking
tot Zijne ernstige overpeinzingen en Zijn heilig voornemen. Vooral in deze Les
is het van belang de aandacht alleen op den Heer zelf te vestigen; en zelfs al
werd er in het geheel geene toepassing gegeven, dan zou de onderwijzer