Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
229 XLIX. OVER DE VERGEVENSGEZINDHEID.

(c) Maar God wil ons om niet verge-
ving schenken. Wat bewoog den Koning
die groote schuld kwijt te schelden? vers
27 — «barmhartigheid». Zoo ook God,
Exod. XXXIV : 6; 2 Kron. XXX: 9; Neh,
IX : 17; Ps. LXXXVI : 5, 15. En hoe
vergaf de Koning? Ten halve? Nam hij
vijf guldens van elke tien, of misschien
één op de tien ? Zie vers 32, «al die schuld »,
zoo doet ook God, Jes. XXXVIH : 17,
XLIV : 22; Micha VII : 18, 19.
{d) Wie zij zijn^ die Gods vergeving niet
willen hebben ? {Zie Aant. 5). Zie dien dienst-
knecht — hij heeft de genaderijke belofte
des Konings gehoord, toen hij aan zijne
voeten lag — en wat toen? — « hij ging
uit» — hij vergeet de genade, die hem
betoond is — hier is een arme schuldenaar
van hem, ook een dienstknecht des Konings,
maar veel geringer — dezen grijpt hij —
zie den armen man aan zijne voeten —
zal hij zich nu niet herinneren hoe hij
neergevallen is en evenzoo heeft gespro-
ken? — zal hij niet denken: «Hoe weinig
is deze man mij schuldig bij hetgeen ik
den Koning schuldig was! — na zulk
eene uitkomst kan ik hem niet hard val-
len?» Wat doet hij? Zijn wij nu niet
dikwijls aan dezen dienstknecht gelijk? —
wij hooren de boodschap, die God ons
zendt (in de kerk of op school) — ons
hart wordt getroffen —wij denken: «Hoe
goed is Hij toch!» — dan «gaan wij uit»
— vergeten er alles van — ontmoeten
iemand, die ons slecht heeft behandeld
— en al de toorn en wraaklust komen
in een oogenblik weder terug. Kon God
denzulken vergeven? Indien wij zoo voor
Gods rechterstoel komen, wat moet er
dan van ons worden? Bidden wij, dat Hij
nooit de woorden des Konings «Gij booze
dienstknecht» tot ons richtte.
Wat is nu het voorbeeld van vergevens-
gezindheid, waarnaar wij ons richten moe-
ten? Zie den eersten tekst om te leeren:
— « Gelijkerwijs ook God .... ulieden
vergeven heeft».
Maar er zijn twee dingen, welke God
doet, en waarvan de gelijkenis ons niets
zegt. God heeft meer gedaan dan die
Koning, want, —
1. Hij heeft ons nogmaals en nogmaals
gespaard. Bedenk — hoe dikwijls hebben
wij Zijn toorn verdiend! — toch heeft Hij
«al Zijne lankmoedigheid betoond» (1 Tim.
1 : 16); zie Ps. LXXVIH : 38, GIH : 8-13;
Rom. 11 : 4; 2 Petr. Hl : 9.
2. Hij heeft Zijnen Zoon gegeven,
opdat Deze onze zonde zou dragen. Zie
nog eens den eersten tekst om te leeren —
«gelijkerwijs God in Christus», enz. Hoe
waar is Rom. V : 8; 1 Joh. IV : 10. 11!
Hoe kunnen wij dan hard zijn tegen
anderen, wanneer God dit alles voor ons
gedaan heeft?
Wij bidden: « Vergeef ons onze schulden,
gelijk wij vergeven onzen schuldenaren »,
enz. Wenschen wij inderdaad, dat God ons
behandelt, zooals wij anderen behandelen?
Indien Hij het deed, Aoe zou het dan zijn?
Aanteekeningen.
1. De wijsheid van Christus' voor-
schriften ten opzichte van een dwalenden
broeder is zeer merkwaardig. Eerst moet
er eene poging gedaan worden, om de
zaak onder vier oogen te behandelen —
hetgeen juist zoo weinig beproefd wordt.
Indien dit niet gelukt, moeten slechts één
of twee anderen ingelicht worden, opdat
er in geval van nood genoegzame wettige
getuigenis zij (Zie Deut. XIX : 15; Joh.
VIH : 17; 2 Cor. XIH : 1; Hebr. X : 28).
Niet voordat deze beide pogingen mislukt
zijn, moet men datgene doen, wat al te
dikwijls de eerste stap is van den belee-
digden persoon, nl. de zaak openbaar
maken; terwijl het duidelijk is, dat de