Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. DE VLEESCHWORDING.
Schets van de Les.
Wij gaan spreken over het Leven van
den Heer Jezus Christus. Misschien hebben
wij het reeds vroeger doorloopen — zoo
ja, dan zullen wij trachten het beter te
begrijpen. Niet als het leven van andere
menschen, dat men eens of tweemaal over-
leest, om dan naar iets anders te verlangen.
Sommigen hebben elk woord van het
Evangelie vele raaien bestudeerd, toch
vonden zij altijd weer iets belangrijks,
iets nieuws. En zie, waarom de Evangeliën
geschreven werden, Joh. XX : 31. Toch,
hoe weinigen bekommeren er zich om.
Waarom? Zie 2 Cor. IV : 4; hoe ver-
schrikkeUjk! Bid met David Ps. CXIX:i8.
Wanneer wij het leven van een mensch
lezen, wat is dan de eerste gebeurtenis,
die verhaald wordt? Maar wij moeten
teruggaan tot vóór de geboorte van Jezus.
Want lees Joh. XVH : 5. Wat was hij toen?
Geen mensch, geen engel, maar —. Hoe
lang had Hij als God geleefd? Joh. 1 :1—3;
Col. 1 :17. En hoe lang zal hij God zijn?
Hebr. 1: 8. Zoo in Gez. 3:4, en in onze
teksten vandaag — «eengeboren Zoon van
den Vader», «in de gestaltenis Gods»,
• Gode gelijk» (zie de Aanteekeningen).
W'anneer wij bidden, «Onze Vader»,
bidden wij tot God, maar niet tot Jezus.
Wie dan? En wie is nog meer God? Hier
zijn drie heilige personen, doch hoeveel
Goden? Deut. VI : 4; 1 Cor. VIII: 6. Wat
noemen wij deze Drie in Een? Zie, waar
in de Schrift de Drie personen als gelijk
naast elkander geplaatst worden, Matth.
XXVin:19; 2 Cor. Xin:13. Wanneer en
waar hooren wij deze verzen gebruiken ?
<Bij den doop en het uitspreken van den
zegen). Kunnen wij dit begrijpen? Niemand
kan het. Gij hebt wel eens een groote
locomotief gezien, die rookt en stoomt,
wanneer zij den trein voorttrekt. Misschien
hebt gij geleerd, hoe al die raderen en
1 ijzeren staven zoo kunstig bewogen worden.
; Maar weet het kleine insect dit, dat op
het wiel voortspringt ? Zou het dit alles
; kunnen leeren? Wanneer wij nu trachten
! den grooten God te begrijpen, dan zijn
I wij gelijk aan de vlieg, die de locomotief
tracht te begrijpen.
Zie weder naar de teksten — «vleesch
I geworden», «den mensch gelijk geworden»
i (zie de Aanteekeningen). God de Zoon
I kwam neder op de aarde, en werd de
mensch Jezus. Dit heet de Vleeschwording.
Nog een verborgenheid (zooals Paulus het
noemt, 1 Tim. III : 16).
Beschouw nu:
I. Hoe Grod de Zoon, mensch werd
1. Hij deed afstand van zijn heerlijk-
heid. Zie een beschrijving van wat die
heerlijkheid was, Jes. VI : 1—6 (zie Joh.
XII : 41). Zie hoe, toen Hij op aarde
was, Hij er naar terug wenschte te keeren,
Joh. XVH : 5. Hoe groot is zijne liefde,
om dit op te geven, 2 Cor. VHI : 9. Het
wordt genoemd «zich zeiven vernietigen»,
Phil. H : 7 (Zie Aant. 2).
2. Hij nam een menschelijk lichaam
aayi. Hij werd waarlijk geboren, en had
een werkelijke moeder, Gal. IV : 4. Zijn
lichaam wies. Luk. 11:52. Hij was honge-
rig, Matth. IV : 2; dorstig. Joh. IV : 7;
Joh. XIX : 28; vermoeid, Joh. IV : 6;
Hij stierf werkelijk, Mark. XV : 44, 45.
3. Hij nam een menschelijke ziel aan.
Hij dacht en gevoelde, hij had een men-
schelijken wil. Luk. XXII : 42, was ver-
blijd, Luk. X : 21; bedroefd, Mark. Hl: 5;
Luk. XIX : 41; Joh. XI : 35; verwonderd,
Matth. VHI : 10; Mark. VI : 6; — even-
als andere menschen. Hij was liefhebbend,
geduldig, medelijdend, oprecht, rein, even
als andere menschen moesten zijn, uitge-
nomen — uitgenomen wat ? — Zie 2 Cor.
V : 21 j Hebr. IV : 15; 1 Joh. UI : 5.