Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
228
XLIX. OVER DE VERGEVENSGEZINDHEID.
hooren. En indien niets hem beweegt —
wat dan! vers 17 — zijne zonde moet
niet voorbijgezien worden, maar hoe moet
gij hem behandelen? Met toornige blikken,
harde woorden, onvriendelijke daden?Zie
wat Paulus zijnen geloovigen broeders ge-
bood te doen, Gal. VI : 1; 2 Cor. II: 6, 7.
Jezus zegt werkelijk hetzelfde, vers 20 —
want hoe zou Hij dn het midden kunnen»
wezen, waar haat en wraaklust zijn? En
indien ervoor den schuldige gebeden wordt,
waarop kan men dan zijne hoop vestigen
om hem terug te winnen? vers 19. Laat
ons dan bidden voor onze vijanden, dat
hunne harten veranderd worden (Zie
Aant. 1).
Maar indien de schuldige berouw heeft,
en dan weder zondigt? Petrus bedenkt
dit, vers 21 — welnu, hij heeft geleerd
(Zie Aant. 2) om driemaal te vergeven —
maar Jezus zal zeker van meer keeren
spreken — misschien van zeven. Dit doet
Hij ook (Luk. XVII : 4), maar zie vers 22
— meent Hij 490 keer? Maar indien gij
«vergeven en vergeten» hebt, hoe kunt gij
dan de keeren tellen? Indien gij u de slechte
bejegeningen kunt herinneren en ze optel-
len, dan bewijst dit, dat gij nooit van harte
vergeven hebt. Jezus meent, zonder eenige
beperking.
Er zijn dus twee regels:
(a) Men moet van harte vergeven, meer
aan den schuldige dan aan zichzelf
denken; (p) men moet van harte verge-
ven, nooit moede in het vergeven.
Schijnt het zeer moeilijk deze regels in
acht te nemen? Dit dachten de Aposte-
len, want zie wat zij vraagden, toen zij
ze hoorden. Luk. XVII : 5. Laat ons het-
zelfde bidden.
n. Het voorbeeld der verge-
vensgezindheid.
Om dit aan te toonen, verhaalt Jezus
eene gelijkenis (Lees vers 23—34). Wan-
neer men tegen ons gezondigd heeft, dan
zijn wij toornig, en denken «wij kunnen
dit niet vergeven — het is waarlijk te
erg», dan moeten wij er aan denken, dat
wij ook een Schuldeischer hebben — Eenen,
tegen wien wij gezondigd hebben.
Wat zegt de gelijkenis ons van Hem
en onze schuld aan Hem?
(a) Er is een tijd van afrekening. De
oordeelsdag? Ja, Matth. XXV : 19; Rom.
XIV : 12. Maar hij kan nog eerder ko-
men. Somtijds komt God tot ons, wijst
ons op onze zonden, doet ze ons optellen
en er over nadenken. Zulk een tijd van
afrekening was het voor David, toen Na-
than tot hem kwam (2 Sam. XH); voor
de Ninevieten, toen Jona voor hen pre-
dikte (Jon. Hl). Het is de werking van
den Heiligen Geest, Joh. XVI : 8, 9. Is
het liefderijk van God dit te doen? Indien
Hij het niet doet, gaat de zondaar voort,
maakt zijne schuld zwaarder en « vergadei't
zichzelven toorn» (Rom. II : 5). Dus,
hoe jong wij ook zijn, hoe eerder de af-
rekening komt, des te beter.
(b) Datt zullen ivij gevoelen hoe groot
onze schuld is. Zondigen anderen veel
tegen ons? Zie in welke evenredigheid
de gelijkenis de schuld van anderen
jegens ons tot die van ons jegens God stelt
— «300 penningen», «10,000 talenten»
(Zie Aant. 3) — de eene 600,000 maal
grooter dan de andere. Het is zoo, of wij
het weten of niet; maar eens zullen wij
het weten — wat zullen wij dan gevoe-
len? Zie Ps. XL : 12. Wat kunnen wij doen?
Wat deed de dienstknecht, vers 26 — « zal
u alles betalen » — zoo denkt de zondaar,
maar nu is het hopeloos! — indien wij nu
voortaan konden doen « al hetgeen bevolen
is», dan zou het slechts onze plicht zijn (Luk.
XVH : 10), en wat kunnen wij dan plaatsen
tegenover de oude schuld? Neen, wij kun-
nen nooit onze schuld aan God betalen.