Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
226
XLIX. OVER DE VERGEVENSGEZINDHEID.
de aankomst te Bethanië, komt men tot de veronderstelling, dat zij werd
medegedeeld op den weg van Jericho naar Jeruzalem.
VL Feest van de Vernieuwing des Tempels (Joh. X : 22—39). Zijn leven is in gevaar.
VII. Hij is gedwongen Jeruzalem te verlaten. Hij trekt zich « wederom » terug in
Perea (Joh. X : 40). Hier wordt Hij ook bedreigd (Luk. Xlll : 31—35).
VHI. Hij bezoekt Bethanië om Lazarus van de dooden op te wekken (Joh. XI) (Les LX).
IX. Hij zoekt eene nieuwe plaats van afzondering te Efraïm (Joh. XI : 54), waar
Hij een tijdlang « verkeert ».
X. De «tijd» is nu vervuld, en de laatste groote reis — die begon, toen Hij in
Galilea «Zijn aangezicht richtte om naar Jeruzalem te reizen», en welke was afge-
broken door den tegenstand Zijner vijanden — wordt nu hervat en voleindigd.
Hij vertrekt van Efraïm, en kondigt weder op plechtige wijze Zijn nu snel naderenden
dood aan (Matth. XX : 17; Mark. X : 32; Luk. XVIII : 31). Te Jericho voegde Hij
zich bij de groote karavaan van Galileërs, die naar het Paaschfeest gaan, en reist
met hen mede tot Bethanië, waar Hij zes dagen voor het Feest aankomt (Matth.
XX : 29-XXI : 1; Mark. X : 46—XI : 1; Luk. XVHI : 35—XIX : 29; Joh. XH:1)
(Les LXI-LXIII).
Een kenmerkend overzicht van dit tijd-
perk vormt men zich het best ongeveer
op deze wijze: — Jezus wil een laatste
beroep op het Joodsche volk doen door
middel van eene algemeene rondreis, welke
ook die gedeelten van het land in zal
sluiten, welke tot nog toe niet door Hem
bezocht werden. Hij weet wat het einde
zal zijn. Zijn aangezicht is naar Jeruzalem.
Hij gaat daarheen om te sterven; maar
voordat dit geschiedt, zal Zijn koninkrijk
meer algemeen en in het openbaar uitge-
roepen worden, dan tot nog toe heeft plaats
gehad. Galilea zal niet in de rondreis be-
sloten worden, daar het reeds zoo lang het
tooneel is geweest van Zijnen arbeid. Hij
wil eerst Samarië binnengaan, maar de
Samaritanen weigeren Hem te ontvangen.
Hij gaat den Jordaan over naar Perea, en
daar zijn, niettegenstaande den tegenstand
der Farizeën, Zijne wonderen en toespraken
aangenaam bij het volk. Hij gaat verder
door naar Judea, maar wordt tweemaal
genoodzaakt, door de vervolging, waaraan
Hij blootstaat, elders eene schuilplaats te
zoeken, eerst weder in Perea en daarna
te Efraïm. Eindelijk nadert het Paaschfeest,
hetwelk getuige zal zijn van Zijnen dood.
Hij verlaat weder Zijne schuilplaats en
hervat op moedige wijze de koninklijke
reis, die driemaal afgebroken is. De geest-
drift der Galileesche reizigers wordt ver-
levendigd en zij begeleiden den «Zone
Davids» lot in de stad met gejuich en
Messiaansche lofliederen. Dan komt de
laatste verwerping.
Het was onmogelijk in deze korte Aan-
teekening de verschillende chronologische
rangschikkingen van andere schrijvers na
te gaan; en vele redeneeringen, zoowel
ten gunste van de hier aangenomen schik-
king als in antwoord op tegenwerpingen,
moesten noodzakelijk weggelaten worden.
De schets, welke hier wordt aangeboden,
is de vrucht van zorgvuldige onderzoe-
kingen en vergelijking van verschillende
opvattingen; indien er geen melding wordt
gemaakt van een grooter aantal andere
schetsen, is dit niet omdat zij den schrijver
onbekend zijn.
Les XLIX. — Over de A^ergevensgezindheid.
« Gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft ».
Te lezen — Matth. XVIII : 15—35.
Te leeren — Ef. IV : 31, 32; Matth. VI : 14, 15. (Ps. 103 : 6; Gez. 70 ; 1, 2).
Voor den Onderwijzer.
Er zijn weinig onderwerpen, waarover men gemakkelijker spreken kan in
algemeene bewoordingen, dan datgene, wat wij nu voor ons hebben; maar