Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
224 AANHANGSEL ViH. - OVER DE TIJDREKENING DER LAATSTE
geplaatst worden? (a) Zij kan niet dezell'de
zijn, als die van het Loofhuttenfeest, welke
zoo haastig en «als in het verborgen»
geschiedde (Joh. VU : 8-10). (b) Zijkan
niet tusschen Joh. XI en XII geplaatst
worden, tenzij men een terugkeer van
Efraïm naar Galilea aanneemt; en dit of
een lange rondreis is moeilijk overeen te
brengen met hetgeen Johannes zegt (IX: 54),
en vooral het woord « verkeerde »; behalve
dit moet het voorval in Martha's huis (Luk.
X : 38, 42) vóór de opwekking van Lazarus
gebeurd zijn. (c) Het verband van Joh. X
en XI laat ook niet toe, dat zij tusschen
het ontwijken naar Perea en het bezoek
aan Bethanië geplaatst worden, (d) Er
blijft slechts ééne mogelijkheid over, nl.
dat zij plaats heeft gehad tusschen het
Loofhuttenfeest en het fee'it der Vernieu-
wing des Tempels, d. i. tusschen vers 21
en 22 van Joh. X ; en daar eene tusschen-
ruimte van twee maanden deze twee ver-
zen moet scheiden, kan de tijd zeer goed
op deze wijze besteed zijn geworden.
Beschouwen wij nu de Evangeliën van
Mattheus en Markus. Waar zullen wij de
reis naar Perea, die door hen vermeld
wordt, plaatsen? De volgende overwegingen
zullen aantoonen, dat het dezelfde was
als die van Luk. IX : 41 : — (a) Zij ging
uit van Galilea, en (zooals reeds aange-
wezen is) Iaat Johannes' verhaal geen
andere reis uit Galilea toe dan die naar
het Loofhuttenfeest, waarvan geen sprake
kan zijn. (6) Zij volgde onmiddellijk op het
« eindigen der woorden » van Matth. XVIII
(verg. Mark. IX), welke te Kapernaüm
gesproken werden (Mark. IX : 33); en
sommige dezer woorden vermeldt Lukas
juist vóór het aanvaarden van de groote
reis (IX : 46—50). (Deze laatste overeen-
komst bewijst ook, dat Matth. XVIII en de
gelijkluidende gedeelten na en niet vóór
het Loofhuttenfeest geplaatst moeten wor-
den). Men zal misschien zeggen, dat do
reizen niet één en dezelfde geweest kunnen
zijn, omdat die van Luk. IX naar Samarië
was; maar zie hierover later.
Er is nog eene tweede moeilijkheid op
•te lo'ïsen. De opmerking is reeds gemaakt,
dat Matth. XIX, XX en Mark. X ééne reis
schijnen te beschrijven, welke met de laatste
intrede in Jeruzalem eindigt, maar er moet
ergens een punt zijn, waar het eene verhaal
eindigt en een ander begint, en waar Johan-
nes X : 22—XI: 54 tusschen gevoegd kan
worden. Zulk eene afscheiding is duidelijk
bij Matth. XX : 17 en Mark. X:32, waar
bijna aangegeven wordt, dat tot de beschrij-
ving eener andere gebeurtenis wordt over-
gegaan. Maar deze verzen zijn gelijkluidend
met Luk. XVIII: 31, dat derhalve, hoewel
op zichzelf niet zoo duidelijk, eene afschei-
ding aanduidt in het derde Evangelie.
Nu blijft nog over de rangschikking der
voorvallen en toespraken van Luk. X : 25—
XVIII : 30. met betrekking tot elkander.
Twee opmerkingen, in het Aanhangsel over
de Tijdrekening van den Arbeid in Galilea
gemaakt, kunnen hier herhaald worden,
nl.: (1) Dat de Evangeliën geen tijdreken-
kundige tafels zijn, maar meer overeen-
komen met onze hedendaagsche lezingen
over het leven van eenig groot man,
waarin dikwijls met opzet allerlei voor-
vallen bij elkander genomen worden zonder
in-acht-neming van de juiste tijdsorde; (2)
Dat deze aanmerking vooral toepasselijk
is op het Evangelie van Lukas.
Het is nergens van meer belang deze
overwegingen te doen gelden, dan bij het
bestudeeren der afdeeling, die voor ons
ligt. De moeilijkheden der rangschikking
worden zeer verminderd, indien wij op-
merken, dat Lukas, na een levendige be-
schrijving van het aanvaarden der « groote
reis» (zooals reeds is aangewezen),voort-
gaat met de verschillende omstandigheden
te vermelden, waarvan zij vergezeld ging,
zonder nochtans iets ia den geest van een
dagboek te willen geven (hetgeen veel
minder doeltreffend zou zijn); — hij voegt
er misschien ook voorvallen tusschen in,
die lang te voren plaats hadden gehad,
omdat zij een bijzonderen trek van het
karakter of den arbeid des Heeren toe-
lichten. Het verblijf in het huis van Martha
(X ; 38—42) moet dus aan het einde der
reis geweest zijn, daar Bethanië dicht bij
Jeruzalem lag. De afdeeling XI : 14—3ö
(misschien meer) behoort ongetwijfeld tot
den arbeid in Galilea, daar zij gelijkluidend
is met Matth. XII en Mark. III. De bood-
schap aan Herodes (XIU : 31—35) schijnt
aan te duiden, dat de laatste intrede in
Jeruzalem toen ophanden was, en indien
dit zoo is, moet zij na het feest der
Tempelvernieuwing geplaatst worden. En
de reis van XVII : 11, die altijd moeilijk-
heid oplevert, wanneer men eene strenge
chronologische volgorde aanneemt, zal op
zeer natuurlijke wijze dezelfde blijken te