Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
ZES MAANDEN VAN HET LEVEN ONZES HEEREN.
223
De opvolging der gebeurtenissen tot aan |
wat wel eens de «crisis te Kapernaüm » j
(Joh. VI) genoemd wordt, is reeds in het *
Aanhangsel over de tijdrekening van den
arbeid in Galilea (blz. 89) gegeven. Deze ,
crisis heeft omtrent den tijd van het ;
Paaschfeest plaats gehad, twee jaar na
het Paaschfeest van Joh. 11, waarmede de
openbare arbeid van Christus begon. Zie
over de volgende zes maanden, t. w. van
het Paaschfeest van Joh. VI tot het Loof- j
huttenfeest van Joh. VII (April tot October), j
Les XLI, Aant. 1. Nu blijven er nog zes '
maanden over, waarvan de loop der ge- .
beurtenissen opgemaakt moet worden, nl.
van het Loofhuttenfeest van Joh. VII tot
aan het Paaschfeest, waarop Jezus ter dood
werd gebracht.
De vier Evangeliën behandelen dit tijd-
perk aldus: I
1. Matth. (XIX : i) vermeldt eene reis j
van Galilea «naar de landpalen van Judea,
over den Jordaan ». Hij verhaalt dan verder
een aantal voorvallen; maar de plaats,
waar zij geschiedden, wordt niet genoemd
tot XX : 29, waai' gesproken wordt van
een vertrek van Jericho; en onmiddellijk
daarna komen wij aan de openlijke intrede
in Jeruzalem op den eersten dag van de
Paaschweek. Hadden wij alleen dit Evan-
gelie, dan zouden wij denken, dat er slechts
ééne reis naar Jeruzalem was, en wel de
laatste.
2. Hetverhaalvan Markus (X:l—XI: 1) j
komt geheel overeen met dat van Mat- ;
theus, met weglating van eene gelijkenis.
3. Lukas' verhaal is veel uitvoeriger en
bevat veel, dat kenmerkend is voor dit
Evangelie. De afdeeling opent met de
woorden: « En het geschiedde, als de dagen
Zijner opneming vervuld werden, zoo richtte
Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te
reizen. » Wij krijgen dan eene lange reeks
van voorvallen en toespraken, welke zich
over negen hoofdstukken uitbreiden, en
komen dan aan hetzelfde bezoek te Jericho,
dat Mattheus en Markus vermelden, hetgeen,
evenals bij hen, opgevolgd wordt door den
intocht in Jeruzalem. Vijf plaatsaanwijzin-
gen komen in deze hoofdstukken voor,
n). dat Christus in een vlek der Samaritanen
kwam (IX : 52); dat Hij in het vlek (niet
genoemd) kwam, waar Martha en Maria
woonden (X : 38); dat Hij «van de eene
stad en vlek tot de andere reisde, leerende
en richtende Zijne reis naar Jeruzalem »
(XIII : 22); dat Hij op een zekeren tijd
in het gebied van Herodes (d. i. Galilea
of Perea) (XIII: 31) was; en dat Hij, «als
Hij naar Jeruzalem reisde, door het midden
van Samarië in Galilea ging» (XVII: 11).
Dit geheele verhaal kan zeer goed behoo-
ren tot die ééne reis, welke Mattheus en
Markus vermelden.
4. Het verhaal van Johannes is geheel
verschillend. Hij vermeldt alleen het bijwo-
nen van het Loofhuttenfeest (VH—X: 21).
Daarna verhaalt hij (X : 22), dat Christus
weder te Jeruzalem was bij het feest der
Vernieuwing des Tempels, twee maanden
later (in December); maar hij zegt niet
wat in den tusschentijd gebeurd is; daar
Hij, om vervolging te ontgaan, zich in
Perea terugtrok (X:40); dat Hij van daar
in Bethanië terugkwam om Lazarus op te
wekken (XI), en naderhand naar Efraim
ging (waarschijnlijk ongeveer 12 mijl N.-O.
van Jeruzalem), waar Ilij waarschijnlijk in
afzondering met Zijne discipelen «verkeerde»
(XI: 54). Dan volgt de aankomst te Betha-
nië (XII :1) onmiddellijk voor den intocht
in Jeruzalem.
De groote vraag is dus: Tusschen
welke afdeelingen van het verhaal van
Johannes moeten de reizen, door de an-
dere drie Evangelisten vermeld, gevoegd
worden ?
Nemen wij Luk. IX : 51 (zooeven aan-
gehaald), welk vers hier van het grootste
gewicht is, en zien wij, hoe de daar ver-
melde reis zich laat voegen tusschen de
opgaven van Johannes.
Deze reis is klaarblijkelijk van veel belang.
De woorden, waarmede zij wordt ingeleid,
zijn bijzonder plechtig. Christus vertrekt
nu voorgoed uit Galilea, en wanneer Hij
de streken verlaat, waar Hij het meest
gearbeid heeft, spreekt Hij het wee uit
over de steden aan het Meer, die Hem
zoo blindelings verworpen hadden (X : 13).
De reis kenmerkt zich ook door groote
openbaarheid. Hij zendt reeds in den aan-
vang boden voor zich uit (IX : 52) en
naderhand draagt Hij den Zeventig op, om
«in iedere stad en plaats, daar Hij komen
zou », aan te kondigen, dat Hij nabij was
(X:l). Dit laatste toont aan, dat het een
lange tocht, een uitgestrekte rondreis was.
Het einddoel is Jeruzalem, waar Hij « opge-
nomen» moet worden (IX : 51).
Tusschen welke gedeelten van het ver-
haal van Johannes kan deze reis nu