Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
222 AANHANGSEL VUL — OVEK DE TIJDREKENING DER LAATSTE
zijn — door te helpen, om deze te zoeken
en «toe te brengen tot Zijne kudde» —
en aldus te handelen als herders, naar
het voorbeeld van den Goeden Herder.
Maar behooren wij wel tot Zijne scha-
pen? Niet allen — er zijn ook «bokken »,
Matth. XXV : 32, 33. Maar terwijl bok-
ken niet in schapen veranderd kunnen
worden, kunnen wij wel veranderd wor-
den. Laat ons bidden: «Geef, dat wij be-
hooren tot het getal Uwer heiligen in
eindelooze heerlijkheid.»
Aanteekeningen.
1. Dit gedeelte is klaarblijkelijk eene
voortzetting van de toespraak tot de Fari-
zeën, in Hoofdst. IX : 39—41 begonnen.
Jezus merkt op, naar het geval van den
blinde verwijzende, dat één gevolg van
Zijne tegenwoordigheid in de wereld is, dat
terwijl de onwetenden verlicht worden,
zij, die aan zichzelf genoeg hebben, alleen
op zichzelf betrouwen, worden verhard
(vers 39). Als de Farizeën gevoelen,
dat Hij op hen zinspeelt, vragen zij met
verontwaardiging (vers 40): «Zijn wij, de
oversten en leeraars van Israël, ook blind ? »
Jezus antwoordt, dat, indien zij geheel
blind waren, zij niet schuldig zouden zijn,
maar dat, naardien zij voorgeven te zien,
en werkelijk ook eenige kennis hebben,
zij wel schuldig zijn (vers 41). Dan gaat
Hij voort met hun aan te toonen, wat zij,
die de leeraars des volks heeten, werkelijk
zijn, — niet de «herders», omdat zijniet
« door de deur binnengaan », maar « dieven
en moordenaars» (X:l—5). Zij begrijpen
de volle beteekenis Zijner woorden niet
(vers 6), daar zij klaarblijkelijk niet weten,
wat zij door de «deur» moeten verstaan.
Hij legt hun dus verder uit, dat Hij zelf
de «deur» is (vers 7) —de «deur» zoo-
wel voor de herders, als voor de schapen
(vers 9); en allen, die Hem niet erkennen,
zijn geen ware herders (vers 8).
Tot hiertoe heeft Jezus nog niet van
zichzelven, als van den Herder, gesproken.
Ofschoon de beschrijving in vers 2—4
natuurlijk voornamelijk op Hem doelt, is
dit toch niet de eerste toepassing, die er
van gemaakt moet worden. De herder
daar is de goede en getrouwe Schrift-
geleerde of leeraar. Maar in vers 10 geeft
Hij een ruimeren zin aan het beeld en
AANHANGSEL VHI. — OVER DE TIJDREKENING DER LAATSTE ZES MAANDEN
VAN HET LEVEN ONZES HEEREN.
beschrijft zichzelf als den Goeden Herder.
2. Het woord, door gelijkenis vertaald
in vers 6, is niet vaepx^o^^ (parabolee\
maar TrecpoifZiu (paroiniia). Het eerste
woord wordt niet door Johannes gebruikt.
Het laatste beteekent meer « spreekwijze ».
De toespraak is ook geene gelijkenis, in
den strengen zin des woords, maar eerder
eene beeldspraak, in zooverre het beeld
en de zaak, die wordt afgebeeld, niet ge-
noegzaam uit elkander worden gehouden;
b.v. in den zin: «Ik stel Mijn leven voor
de schapen» is schaap een deel van de beeld-
spraak, maar: « Ik stel Mijn leven» niet. Zie
Aanhangsel over de Gelijkenissen, blz. 160.
3. Vers 8 wordt zeer verschillend uitge-
legd. Gewoonlijk neemt men aan, dat
Christus spreekt van « allen, die zich her-
ders noemen en vóór Mij, den Goeden
Herder, kwamen», en dan zijn de uitdruk-
kingen « allpu # en « vóór Mij » moeilijk te
verklaren. Maar «Mij» moet beteekenen
«Mij de deur-O, daar dit beeld zoowel
in vers 7 als in vers 9 voorkomt. Wat is
dan de beteekenis van « allen, die voor de
Deur kwamen»? «Voor» (Tpo) kan niet
alleen op tijd, maar ook op rang betrek-
king hebben. Wanneer men de deur binnen-
ging, onderwierp men zich aan den regel
van binnenkomen, door den eigenaar ge-
maakt, en erkende aldus, dat hij het eersfe
gezag had. Dit deed de dief niet, hij koos
zijn eigen weg voor den weg van den
eigenaar, d. w. z., hij gaf er de voorkeur
aan, en handelde alsof zijn recht van
binnenkomen van vroegere dagteekening
was dan dat van den eigenaar; hetgeen
juist is wat Christus den Farizeën ten
laste legt.
De verschillende opvattingen, die er zijn
omtrent de rangschikking der gebeurte-
nissen van de laatste zes maanden van het
leven onzes Heeren, maken het wenschelijk,
dat de stelregel, bij het schikken dezer Les-
sen aangenomen, kortelijk worde uitgelegd.