Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
221 XLVIII. I.»E HERDER EN DE SCHAPEN.

daar is Hij eerst geweest, Hebr. XI[: 1—3;
Joh. XV : 18. Zij hebben slechts Zijne
voetstappen te volgen, 1 Petr. H : 21;
1 Joh. H : 0.
3. Hij weidt Zijtie schapen; voorziet
hen van alles, wat zij noodig hebben (Phil.
IV: 19) — voor het lichaam, Ps. XXXIV:
9, 10; Matth. VI : 32, 33; voor de ziel.
Joh. VI : 27, 51; Rom. VIH : 32.
4. Hij beschermt Zijne schapen. Voor
wien? Voor den Satan, Luk. XXH : 31,
32; voor alle kwaad, Ps. CXXI : 7, 8. Zie
hoe veilig zij zijn, vers 28, 29; Rom. VIII:
35—39.
5. Hij zoekt de dwalende schapen op.
Waarom kwam Hij neder uit den Hemel,
anders dan om «te zoeken en zalig te
maken dat verloren was? » Luk. XIX : 10;
verg. 1 Petr. II : 25. En wanneer Zijne
eigen dienstknechten dwalen, zooals dit
somtijds gebeurt, dan zoekt Hij hen op
en brengt hen terug, Ps. XXIII : 3;
CXIX : 176.
II. Hoe Christus van alle andere
herders verschilt. Zie vers 11, 15.
(ü Hij stelt Zijn leven voor de schapen
Een huurling, die geene lielde voor de
schapen heeft, zou dat niet doen, vers 12,
13; maar hebben niet andere goede herders
het gedaan ? Ja, zij hebben hun leven
fjpwaagd zooals David, toen de leeuw en
de beer kwamen (1 Sam. XVH : 34,35);
somtijds hebben zij het zelfs verloren.
Maar veronderstel, dat een dief of een
wild beest den herder doodt, zullen de
schapen hem dan ooit weder hebben? En
wat gebeurt er met de schapen? Worden
ook zij niet gestolen en gedood? Maar
met Christus en Zijne schapen is het
anders:
1. Hij legde uit vrije beweging Zijn
leven af, vers 18; verg. Matth. XXVI :
53; Joh. XVIII : 11; Luk. XXIII : 46.
Welke herder zou dat doen?
2. Hij legde Zijn leven af, opdat Hij
het weder zou kunnen nemen, vers 17,
18. Jezus werd gedood —■ gedood door
diezelfde «dieven en moordenaars», tot
welke Hij daar sprak, de priesters en
oversten — en de Satan (de «wolf») was
van alles de aanlegger. Maar werd Hij
overwonnen? Hebr. 11 : 14, XIH : 20.
W^as Hij voor altijd van Zijne schapen
weggegaan? Wanneer «nam Hij Zijn leven
wederom?» Maar wanneer had Hij het
dan afgelegd?
3. Hij legde Zijn leven af, opdat Zijne
schapen het leven zouden hebben, vers
10, 28. Wat beteekent dit? Zie Jes. LHI:
6 — «wij dwaalden allen», als « schapen »,
omdat wij ons zeiven niet kunnen helpen
— toch niet als schapen, want zij weten
niet beter — ons afdwalen is schuldigen
ondankbaar. Wat verdienen wij om onze
zonde? Rom. VI : 23. Maar Jezus is in
de plaats daarvan gestorven, en wat is er
met onze zonde gebeurd, toen Hij stierf?
Zie nog eens .les. LIII : 6; verg. 1 Petr.
II : 24; Hebr. IX : 28. En dus is (Rom.
VI : 23 weder) «de genadegift Gods het
eeuwige leven, door Jezus Christus».
Is de Goede Herder niet waard
onze liefde te ontvangen?
En indien wij Hem liefhebben om
Zijne liefde voor ons, waartoe zal deze
ons dan dringen? Zie 2 Cor. V:14,15 —
waartoe «drong» Zijne liefde Paulus?
Om te leven «niet zichzelf» — niet zelf-
zuchtig, alleen gedachtig aan zijn eigen
genot en voordeel — «maar Hem, die
gestorven was» — d. i. voor Hem. Hoe
kan men dit doen? (a) Door Zijne geboden
te houden. Joh. XIV : 15 — «Zijne stem
te gehoorzamen •) en « Hem te volgen »,
evenals schapen den Herder volgen, (b)
Door te denken a^n de a andere schapen »
(vers 10), die over de wereld verstrooid