Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
220
XLVIII. I.»E HERDER EN DE SCHAPEN.
stal om de schapen te halen? En indien
iemand in plaats daarvan over den muur
klimt, kan deze dan de herder zijn? Wat
is hij? vers 1. Waartoe komt hij? vers
10. Hoe ontvangen de schapen hem?
vers 5.
«Ja», konden de Farizeën zeggen, «dat
is alles zeer waar: maar wat heeft dit
met ons te maken?» Dit kunnen zij niet
vatten, vers 6; «Hij meent toch niet, dat
wij dieven en moordenaars zijn?» Dat
hangt af van hetgeen Hij met de «deur»
bedoelt: Hij zegt het hun dus nog duide-
lijker, vers 7—9.
alk ben de Deur.» Hoe? De deur is
de toegang tot en de uitgang voor den
stal — de schapen moeten er door ingaan,
indien zij veilig willen wezen, er door uitgaan
om voedsel te zoeken — de herder gaat
er door om bij hen te komen, door de
deur leidt hij hen in en uit. Hoe kan nu
een goed onderwijzer of leeraar goed doen
aan degenen, waarover hij gesteld is?
Alleen door Christus — indien zij genade
en kracht van Hem zeiven ontvangen —
allen tot Hem brengen. En de Farizeën—
deden zij dit? Wilden zij Jezus vragen
hoe zij het volk moesten onderwijzen?
Wilden zij het tot Hem brengen? Zij
kwamen van elders naar binnen — zij
waren dus geene herders, maar moorde-
naars.
Daarna gaat Jezus voort met hun aan
te toonen hoe de Ware Herder, de Groote
Herder, de Goede Herder is. Zie op welke
wijze.
I. Hoe Christus gelijk is aan
andere goede herders.
Stel u een Oqsterschen herder voor.
Zie hoe hij het bergpad langs gaat, terwijl
al de schapen hem volgen (vers 4). Som-
mige schapen blijven achter — de herder
ziet om, bemerkt welke het zijn (want
hij kent ze alle), roept ze — elk bij zijn
eigen naam (vers 3) — zij hooren roepen,
kennen de stem en volgen. Indien het pad
moeilijk wordt, tusschen hooge rotsen,
door doornige struiken — dan baant de
herder met zijn staf een weg voor de
schapen (Ps. XXllI: 4). Hij zoekt de plaats,
waar zij het best kunnen grazen, «grazige
weiden», «stille wateren» (Gen. XXIX: 7;
Ps. XXHI : 2; Ezech. XXXIV : 13, 14).
Daar ziet hij, dat er een ontbreekt —
waar kan het zijn? Hij moet het gaan
zoeken — met inspanning beklimt hij de
steile helling, zoekt overal — eindelijk vindt
hij het arme, uitgeputte, verschrikte schaap
— hij draagt het terug op zijn schouder
(Ezech. XXXIV : 12; Luk. XV : 4, 8).
Dan gaat hij des avonds terug naar den
stal — loopt langzaam om de zwakke
schapen niet te vermoeien — de lammeren
heeft hij in zijne armen (Jes, XL : 11).
De stal is omrirgd door steenen muren—
er is eene deur tot ingang — daar houdt
de herder dan de wacht (Luk. 11 : 8) —
een wild beest zou kunnen beproeven bij
de schapen te komen (vers 12; 1 Sam.
XVH : 34; Hand. XX : 29) — of dieven
(vers 10); hij moet klaar staan om ze weg
te drijven.
Waarin is Christus nu gelijk aan zulk
een heider?
1. Hij kent Zijne schapen en zij ke7inen
Hem. Hij kent ze, 2 Tim. H : 19; roept
elk bij zijn naam, Jes. XLIII : 1 — den
naam, dien Hij in Zijn boek heeft opge-
schreven. Phil. IV: 3; Openb. IH : 5, XXI:
27. Is dit niet een blijk van Zijne liefde voor
hen? — (Voorbeeld.— Wij stellen belang
in ietSy waaraan wij een naam geven,
b.v. eene nieuwe uilvinding of ontdek-
king). Zij kennen Hem, 2 Tim. I : 12;
luisteren naar Zijne stem, Ps. LXXXV:8;
Hab. 11:1; gehoorzamen deze. Joh. XIV : 23.
2. Hij leidt Zijne schapen en zij vol-
gen Hem. Waar zij ook gaan moeten.