Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
218
XLVII. DE BLINDGEBORENE. 218
Aanteekeningen.
1. Sommige Schriftuitleggers meenen.dat
men eene tusschenruimte tusschen hoofdst.
VIII en IX moet aannemen; andere, dat
het «voorbijgaande» van IX : 1 naar VIII: 59
verwijst. De meerderheid is ten gunste
van de laatste opvatting, welke in de Schets
is gevolgd. Deze opvatting geeft aan vers 4
eene groote beteekenis. Jezus spoedde zich
wel weg van den Tempel, waar Zijn leven
in gevaar was, maar Hij moest (al waagde
Hij er, als het ware, alles mede) stilhou-
den, om dezen armen man het gezicht
weer te geven; want « de nacht komt» —
de boosheid Zijner vijanden zou spoedig
een einde maken aan Zijn «dag» —
daarom « moet Hij werken » zoolang het
nog dag is. Men kan aannemen, dat er na
vers 12, 34 en 38 eene kleine tusschen-
ruimte was; van vers 39 gaat het verhaal
geregeld door tot X : 21.
2. « Wie heeft gezondigd», enz. Bij de
Joden bestond er eene meening onder het
volk (en ook bij andere volken, zie Hand.
XXVIH: 4), dat elke bijzondere bezoeking
eene straf voor eene bijzondere zonde was;
eene verkeerde opvatting der groote waar-
heid van het verband tusschen zonde en
lijden, welke hen, die voorspoed hadden,
zelfvoldaan maakte en aanleiding gaf tot
liefdelooze beoordeelingen van minder ge-
lukkigen; deze verdraaiing der waarheid
werd door den Heer in Luk XIH : 1—5
veroordeeld. Natuurlijk wil Christus, in vers
3, niet zeggen, dat noch de man, noch
zijne ouders ooit gezondigd hadden, maar
dat geene bijzondere zonde van hen de
blindheid had veroorzaakt.
3. Er wordt ons nergens gezegd, waarom
de Heer somtijds uitwendige middelen bij
Zijne genezingen gebruikte (Verg. Mark.
VII : 33; VHI: 23). In dit geval zien wij,
dat, door deze handelwijze, het geloof
van den man op de proef werd gesteld,
evenals in het soortgelijke geval van Naa-
man (2 Kon. V).
4. Het badwater van Siloam bestaat
nog. Het ligt aan den voet van den heuvel
(Opbel), die de zuidwaartsche voortzetting
is van den heuvel, waarop de Tempel
stond, dicht bij het punt, waar de twee
valleien van Hinnom en Josafat zich ver-
eenigen, Het water, dat er door een onder-
aardschen gang onder den Opbel naar
toe vloeit, ontspringt uit de «Bron der
Maagd eene bron, die hooger op in de
vallei van Josafat is; en men gelooft, dat
deze bron van onder den Tempel voort-
komt.
De verklaring van den Evangelist: «Het-
welk overgezet wordt, uitgezonden», doelt
op eene zinnebeeldige beteekenis van het
gaan naar het badwater. Stier en Hengsten-
berg denken, dat de bedoeling is: «Ga
naar de van God gezonden fontein van
water (verg. Ps. CIV : 10) en laat deze
u herinneren aan-üem, die de van God
gezondene is, en die het levende water
geeft.» Het is opmerkenswaard, dat, in
het Evangelie van Johannes, het denkbeeld
van Christus als de gezondene van den
Vader zoo op den voorgrond staat; zie
IH : 17, 34; V : 36, 38; VH : 29;
VIH : 42.
5. Zie over de wonderen van Christus
op den Sabbat Les XXXI, Aant. 1. Het
« maken van slijk » zou door de Joden als
«dienstwerk» en daarom als ongeoorloofd
beschouwd worden.
6. « Geef God de eer», vers 24. Dit is
niet eene aansporing om God en niet
Jezus te danken voor de genezing; want
de Farizeën namen in het geheel niet aan,
dat de genezing geschied was. Het zijn
eenvoudig de woorden, die de Joden ge-
bruikten, wanneer zij iemand op plechtige
wijze wilden bezweren de waarheid te
spreken, evenals Joz. VII : 19.
7. Zij wierpen hem uit, d. i. zij deden
hem in den ban, waardoor hij minstens
dertig dagen buitengesloten was van de
Synagoge.
8. (iWij weten, dat God de zondaars
niet hoort», d. i. de moedwillige en hals-
starrige zondaars; verg. Ps, LXVI : 18;
Spr. I : 28; Jes. I : 15, LIX : 2; Jak.
IV : 3.