Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
216
XLYII. DE blindgeborene.
was. dan zou er ook geen lijden zijn,
maar bijzondere beproevingen zijn niet
altijd het gevolg van bijzondere zonden —
God zendt in Zijne liefde somtijds lijden
tot 's menschen welzijn (verg. Hebr. XII:
5—11) — zij zullen aanstonds zien, hoe
God de beproeving van dezen man voor
zijn bestwil gebruikt.
Maar is het veilig, nu de Joden zóó
verbolgen tegen Hem zijn, hier stil te staan
en den man te genezen? Wat zegt Jezus ?
vers 4 — Hij wil niet «tot morgen uit-
stellen, wat heden gedaan kan worden»
{Zie Aant. 1).
I. Door Christus genezen. (Lees
vers 5—12).
Hij heeft Jezus' woorden gehoord —
dat zijne blindheid eene gelegenheid is
voor de openbaring van Gods macht —
«en wie is deze, die zich het Licht der
Wereld noemt?» Zijn hart opent zich,
terwijl zijne oogen nog gesloten zijn. Wat
voelt hij nadeihand op zijne oogen? Wat
wordt hem gezegd, dat hij doen moet?
(Zie Aant. 3). Aarzelt hij? Of maakt hij
tegenwerpingen, evenals Naäman? Hier
is geloof, dat uit de werken kenbaar is
(Jak. II : 18), — wij weten, dat hij in de
waarheid en macht van Jezus geloofde —
hoe? — omdat wij hem zien gre/ioor^'arne«.
Verg. hoofdst. IV : 50 (Zie Les XVIII)
Zie hoe snel hij den steilen heuvel afgaat
naar de vallei (zie Aant. 4); zie hoe hij
zijne oogen wascht; en dan —! Den
Olijfberg, de beek Kedron, de torens, de
wallen, de paleizen van Sion (zie Ps. XLVIII
: 12, 13), den schitterenden Tempel, de
bergen om Jeruzalem — alles ziet hij voor
het eerst; boomen, dieren, de blauwe
hemel boven hem, het gelaat zijner mede-
menschen — het is alles nieuw voor hem!
En zie de verandering, die bij hem zelf
plaats heeft; niet meer dat starende, wezen-
looze voorkomen — zijn gelaat is opgewekt
en vroolijk — zijne vrienden herkennen
hem ternauwernood, vers 8, 9.
II. Christus belijdende. (Lees
vers 13—27).
Zulk een buitengewoon geval moet onder-
zocht worden. De man wordt voor eene
der zittingen gedaagd, welke toen juist
gehouden werd. Wat merken de oversten
der Farizeën het meest op in deze ge-
schiedenis? — De wonderbare macht van
Hem, die genezen heeft? — O neen,
evenals bij den kreupele, die kracht ont-
ving om op te staan en te wandelen
(hoofdst. V : 12), zoo gaat het nu —
zij haten Jezus en grijpen alles aan,
wat zij kunnen, om Hem er over aan te
vallen (Zie Aant. 5). Hoe zou Jezus zulk
een Sabbatsarbeid rechtvaardigen? Matth.
XII : 12. Maar de rechters zijn niet een-
stemmig, vers 16 — misschien zijn Nico-
demus of Jozef er bij.
Maar, zoo denken zij, misschien is alles
eene dwaling — zij latende ouders roepen.
Zouden wij nu niet verwachten, dat de
vader en de moeder luide den lof zouden
verkondigen van Hem, die het gezicht aan
hun zoon had weergegeven? Doen zij dit?
Waarom niet? vers 20—22.
Luister nu naar den man zelf. Vreest
hij openlijk te spreken? Zie wat hij van
Jezus zegt: vers 17 — een profeet; vers
31 — Eén, dien God hoort, dus kan Hij
de zondaar niet zijn, waarvoor zij Hem
houden. Hij weet weinig van Jezus —
heeft er geen denkbeeld van wie Hij wer-
kelijk is — maar hij is vast besloten Zijn
discipel te worden, zelfs als niemand anders
dit wil (vers 27, 28). Bedenk nu eens:
hier is een onwetende, verachte bedelaar —
daar zijn zijne ouders en de voornaamsten
der stad — dezen zullen het toch wel het best
weten — waarom zou hij zich tegen hunne
meening verzetten ? Toch doet hij het —
waarom? vers 25 — «één ding weet ik» —