Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
214
XLVI. HET .LOOFHUTTENFEEST.
steken der lichten, wordt bevestigd door
hetgeen in vers 20 gezegd wordt, dat Hij
stond « bij de schatkist», welke aan het
noordelijk uiteinde van den «Voorhof der
Vrouwen» was, waarin de groote standaards
met de lichten geplaatst waren. Deze
«Voorhof der Vrouwenwas een groote
open plaats aan de oostzijde van het meer
naar binnen gelegen en heiligere gedeelte
van den Tempel (de vxoi). Deze naam
werd er aan gegeven, niet omdat de plaats
uitsluitend voor vrouwen was, maar omdat
de vrouwen niet verder mochten gaan dan
dezen Voorhof. Op deze plaats was ge-
woonlijk het drukste verkeer.
2. In de merkwaardige woorden van
vers 37—39, op welke zulk een groot
gedeelte van de Schets gegrond is, hebben
drie moeilijkheden ophelderingen noodig.
(a) Wat beteekent de uitdrukking:
« Stroomen des levenden waters zullen
uit zijn buik vloeien ? » Het woord « buik »
woult eenvoudig gebruikt als eene figuur-
lijke uitdrukking voor den inwendigen
mensch, den geest, evenals wij somtijds
op dezelfde wijze het woord «hart» ge-
bruiken. Het komt dikwijls in de Schriften
voor; verg. b.v. Spr, XX : 27 met Hebr.
IV : 12. In Zijn gesprek met de Samari-
taansche vrouw zeide Christus, dat het
«levende water», dat aan den mensch
gegeven werd, «in hem» zou worden «eene
fontein van water, springende, enz.» Hier
beschrijft Hij hetzelfde levende water als '
uit den mensch voortvloeiende, en deelt
dus op figuurlijke wijze de geestelijke
waarheid mede, dat zij, die de zegeningen, '
welke Hij aanbiedt, aannemen, op hunne
beurt een zegen voor anderen zullen zijn. ^
(b) «Gelijkerwijs de Schrift zegt» — |
welk gedeelte van de Schrift wordt hier
bedoeld? In Ezech. XLVH wordt in de
zeer figuurlijke taal van eene der profe-
tieën het beeld van water gebruikt, dat
van onder den drempel des Tempels voort-
vloeit, en leven geeft aan alles, waarmede
het in aanraking komt. In Joel Hl : 18
lezen wij van eene fontein, die uit het
Huis des Heeren uitgaat. En in Zach.
XIV : 8, van levende wateren, die uit
Jeruzalem vlieten. Deze beeldspraak komt
I op treilende wijze overeen met de plech-
tigheid, waarvan hierboven gesproken is,
•"en die aanleiding gaf tot de woorden van
Christus; en het is wel waarschijnlijk,
dat, evenals deze voorspellingen doelden
op de uitwerking des Geestes, wanneer
deze op de Kerk is uitgestort. Hij ze ook
toepaste op de uitwerking van den Heiligen
Geest op een iegelijke ziel in het bijzonder.
Jes. LVIII : 11 — «Gij zult zijn als een
gewaterd hof, en als eene springader der
wateren, welker wateren niet ontbreken»
— heeft er nog grooter overeenkomst
mede.
(c) Waarom doet Johannes opmerken,
dat de Heilige Geest «nog niet was»?
Hij bedoelt eenvoudig, dat de bedeeling
van den Geest «nog niet was».
3. Men make nauwkeurig onderscheid
tusschen de verschillende klassen van
menschen, die in dit hoofdstuk genoemd
worden. Wij hebben « de Jodend. i. de
I overheerschende partij der priesters en
I Farizeën, vers 11 — «De Joden dan zochten
Hem»; vers 13 — «Nochtans sprak nie-
mand vrijmoediglijk tot Hem, om de vrees
der Joden». — Tot de «schare» in vers
12, 20, 31, 32, 40 behoorden ook de
Galileërs en anderen, die voor het feest
gekomen waren, en niets wisten van de
samenzweringen tegen het leven van
Jezus. In vers 25 vinden wij «die van
Jeruzalem» afzonderlijk genoemd, en dezen
waren bekend met die booze plannen. Het
geheele hoofdstuk wordt veel begrijpelijker
en belangrijker, indien men op dit onder-
scheid let.
4. Vers 27 en 42 schijnen elkander
tegen te spreken, ofschoon zij het inder-
daad niet doen. De Joden wisten, dat de
Messias zou geboren worden in Bethlehem
(zie Matth. II : 5) en uil het geslacht van
David, maar zij verwachtten, dat Hij op
plotselinge en geheimzinnige wijze zou
verschijnen, en dat Zijn naaste bloedver-
wantschap onbekend zou zijn; misschien
leidden zij dit af uit Jes. LHI : 8. Zij
beschouwden Jezus als een Galileër, en
als den zoon van Jozef, en vermoedden
evenmin de geheimenis als de plaats Zijner
geboorte.