Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
211 XLVI. HET .LOOFHUTTENFEEST.

indien zij slechts gewild hadden; indien
zij verlangd hadden God te behagen, dan
zouden zij Gods Zoon gekend hebben,
toen Hij kwam, vers 17 (Verg. Joh. I :
47, 49).
De twijfelingen, de onrust bij het volk
nemen toe. Sommigen (van Jeruzalem),
die de plannen der oversten kennen, ver-
bazen zich over Zijne vermetelheid, vers
25, en zien met verwondering Zijne vij-
anden, die bedaard naar Hem luisteren,
vers 26 — «zouden de Schriftgeleerden
ontdekt hebben, dat Hij werkelijk de Messias
was? Anderen (misschien van afgelegener
plaatsen komende) zijn niet in het geheim
en begrijpen niet, waarom Hij hun kwade
voornemens ten laste legt, vei^ 19. Maar
nu zullen zij Hem toch gevangennemen,
vers 30 — neen — hoe vreemd! Wat
was de ware oorzaak, dat zij Hem niet
aanraakten? vers 30.
III. Wat Jezus aanbood.
Eiken morgen van de zes eerste dagen
van het feest is er eene blijde plechtigheid,
In de diepe vallei beneden den Tempel is
het badwater Siloam. Priesters gingen daar
een gouden kruik met water vullen —
droegen die in optocht, door de scharen
gevolgd, naar het altaar in den Tempel-
hof— goten die over in eene zilveren schaal
(en wijn in eene andere) — eene schaal
met gaten — eene pijp voerde het water
door de rots onder den Tempel af naar
de beek Kedron, welke door de vallei liep.
Terwijl het water uitgegoten werd, zongen
de Levieten Psalmen (CXIH—CXVHI),
het volk juichte en zwaaide met palm-
takken heen en weer —j^overal vreugde-
betooningen. Zie Jes. XII : 3. Waaraan
zou dit hen herinneren? De hutten herin-
neren aan Israël in de woestijn — dit
aan het water, dat God hun uit de rots
gegeven had.
Er was nog eene vroolijke plechtigheid
gedurende het feest. In dat gedeelte van
den Tempel, waar het geheele volk kwam,
waren twee groote standaarden, elk met
vier lichten. Eiken avond verzamelde zich
de menigte met brandende fakkels, de acht
lichten werden onder algemeen gejuich
ontstoken, en verlichtten den Tempelen de
stad, zoodat de donkere Olijfberg aan de
overzijde der vallei er nog donkerder uit-
zag. Des morgens hadden zij gedachtaan
het wonen in tenten in de woestijn — nu
aan de vuurkolom, welke de legerplaats
verlichtte en hun voorging op hunne toch-
ten. Maar nu is het feest afgeloopen —
de verlichting is geëindigd ; zie nu wat
Jezus zegt, vers 12.
Maar op den zevenden dag, « den grooten
dag van het feest», wordt er geen water
uitgegoten. Laat ons nu zien, wat Jezus
op dien dag deed.
Hij ziet de menigten en kent elk hart
{zie Les XLH) — dag op dag heeft Hij die
menschen gadegeslagen — Hij heeft vele
uiterlijke vreugdebetooningen gezien —
ja, en vele treurige, ontevredene, zondige
harten ook. Wat moest de medelijdende
Heiland wel gevoelen? Zij konden geluk-
kig zijn — gelukkig niettegenstaande aard
sche zorgen — niettegenstaande de verlei-
ding der zonde — niettegenstaande de
overheersching der Romeinen — zonder
zulk een Koning, als zij zich voorstelden —
indien zij tot Hem wilden komen, in Hem
gelooven. Hem tot hun vriend maken.
Zie Zijne woorden (Hij « riep » met luide,
ernstige stem) vers 37 — alsof Hij wilde
zeggen: a Gij herdenkt hoe uwe vaderen
dorstten, en God hun water gaf — gij looft
God, omdat gij nu niet zoo dorst — maar,
zijt gij niet werkelijk dorstende, is er niet
iets, dat gij noodig hebt en niet bezit —
vrede in uw hart? Komt tot Mij — Ik
heb water, dat zelfs dien dorst kan les-
schen. » « Ik hen het licht der wereVi ».