Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
210
XLVI. HET .LOOFHUTTENFEEST.
Schets van de Les.
Welk een feest, wanneer de oogst binnen
wordt gehaald! {Beschrijf de vreugde, die
er op het land heerscht bij die gelegen-
heid, de dankgebeden in de kerk). De
Joden hadden iets dergelijks; elk jaar in
October, wanneer de geheele oogst, de
wijnoogst, enz. ingezameld was. Zie hoe
God dit instelde, Deut. XVI : 13, 15
(verg. Lev. XXIII : 33—43; Num.XXIX:
12—34). W^aarom heette het «Loofhut-
tenfeest»? Kom te Jeruzalem en zie.
L Het feest. {Zie Aant. 1).
De stad heeft een zeer vreemd voor-
komen, ziet er meer uit als een bosch
dan als eene stad. Overal groene priëelen
of hutten, van de takken van boomen
(palmen, vijgeboomen, pijnboomen, wilgen,
enz.) gemaakt — op de straten en pleinen
— op de daken der huizen — en buiten
de poorten ook, bij gebrek aan plaats bin-
nen de stad. Niemand heeft zijn verblijf
meer in huis — iedereen is in deze hutten —
de geheele bevolking van de stad en de
menigten van buiten af.
Waarmede zouden hunne gedachten wel
vervuld zijn? Met hun oogst, die zonder
tegenspoeden was binnengehaald? Ja, maar
nog met iets anders. — «Eens had ons volk
geen oogst om binnen te halen, geen land
om te bebouwen; wij waren zwervelingen
in de woestijn; woonden in tabernakelen,
in tenten en hutten gelijk aan deze; maar
God gaf ons dit goede land, en Hij geeft
ons vruchtbare jaargetijden, vervult onze
harten met voedsel en met verheuging»
(Zie Hand. XIV : 17; Ps. LXV :10—14).
Daarom heeft God het feest en het wonen
in hutten ingesteld, om hen dankbaar te
maken, Lev. XXIII: 42, 43; Deut. XVI: 15.
Zie hoe het feest in de dagen van Nehemia
gehouden werd, Neh. Vlll : 13—17.
Het feest was nu nabij (Joh. VII : 2).
Groote vreugde, vroolijke gezichten, blijde
ontmoetingen, gesprekken, terwijl zij in de
hutten zitten; vele offers aan God in den
Tempel.
Maar het is alles geen vreugde. — Wat
zeiden wij onlangs met betrekking tot volks-
menigten? {Les XLII). — Zonder twijfel
zijn er onder de menigten op dit feest
velen met bezwaarde harten, bezwaard met
droefheid, teleurstelling, zonde. En één
groot verdriet hebben zij allen — zij zijn
niet vrij — die gehate Romeinen regeeren
over hen — wanneer, o, wanneer zou dan
toch de Messias, de langverwachte Koning
komen om hen te verlossen ? — .Ia, dat zou
eerst eene vreugde wezen. Hadden zij slechts
geweten, dat de Koning onder hen was!
II. Jezus op het feest.
Er is iets gaande — de menschen staan
in groepjes samen te spreken — er is
verbazing en onzekerheid in hun blikken
en woorden. Zie vers 11,12. Wie is «.Hi}'»,
van wien zij spreken? Het is een lange
tijd geleden sinds Jezus in Jeruzalem was —
Hij verscheen niet op twee of drie feesten —
waarom? vers 1. Eiken koer wekt het
meer verwondering — waarom komt Hij
niet? Waarom zooveel teleurstelling? Som-
migen verlangen Zijne wonderen te zien,
anderen Zijne woorden te hooren, de
oversten willen Hem gevangennemen;
eenigen hopen, dat Hij eindelijk toch de
Messias zal blijken te zijn. Maar (denken
zij) Hij komt niet — Hij is niet met de
karavanen van Galilea gekomen. — Toch
was Hij gekomen — hoe? vers 10.
Eensklaps staat Hij daar, openlijk predi-
kende in den Tempel, vers 14. Sommigen
hooren Hem voor de eerste maal — waarom
zijn zij verwonderd? vers 15. Het is waar.
Hij had geene opvoeding gehad als Saulus
van Tarsen (Hand. XXII : 3), maar van
wien waren dan die woorden vol wijsheid,
vers 16 — en dit hadden zij kunnen weten,