Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
208
XLV. J)E BEZETEN KNAAP.
dezen behooren tot de erge gevallen.
Wat is er aan te doen? Jezus zegt:
nBrey%gt hem tot Mij». Dit doen wij,
wanneer wij voor u bidden. Dit doen wij,
wanneer wij u van Zijne liefde spreken,
en trachten u voor Hem te winnen. Niet
één hart kunnen wij door eigen macht
bekeei^en; indien het ons gelukt u belang
te doen stellen* in hetgeen wij zeggen,
geduldig en vriendelijk te zijn, u van de
zonde af te trekken, tot God te brengen,
dan is dit alles door twee oorzaken:—(a)
Omdat Christus u kan en wil verlossen.
(b) Omdat wij op Hem zien en alleen in
Hem vertrouwen.
Maar er is één groot onderscheid tus-
schen dien armen bezeten knaap en u.
Hij kon het niet helpen — gij zijt verant-
woordelijk. Het is waar, de Satan is sterker
dan gij, maar Christus noodigt u uit om
vrij te zijn, stierf, opdat gij vrij zoudt
zijn — nu staat het aan u — welken heer
zult gij kiezen?
Aanteekeningen.
1. Het verband tusschen dit verhaal en
het vorige is zeer leerzaam. Van de heerlijk-
heid op den Berg — van de gemeenschap
met den Vader en de verheerlijkte heiligen —
dalen Christus en de drie Apostelen af tot
een tooneel, dat een type is van mensche-
lijke ellende. Geen tegenstelling konde
grooter zijn. Het tooneel is een voorbeeld van
het tweevoudige karakter van het christe-
lijke leven: godsdienstige toewijdingalgezon-
derd van de wereld, en arbeid in de wereld.
Het gezegde, in vers 15, dat het volk
op het zien van Jezus «verbaasd» was,
wordt gewoonlijk verklaard door de ver-
onderstelling, dat nog eenige sporen van
de heerlijkheid, die Hij kort te voren gehad
had, op Hem waren, evenals het blinken
van Mozes^ gelaat (Exod. XXXIV : 29).
Maar Zijn bevel aan de drie Apostelen, om
niet te vermelden wat zij hadden gezien,
schijnt met dit denkbeeld onvereenigbaar
te zijn, en het is mogelijk, dat het volk
alleen ontstelde door Zijne plotselinge ver-
schijning te midden van deze opschudding.
2. <k Ongeloovig en verkeerd geslacht! »
De Schriftuitleggers verschillen aangaande
de personen, tot wie deze woorden werden
gericht — de discipelen, de Schriftge-
leerden, of het volk in het algemeen.
Waarschijnlijk doelde Hij op het geheele
«geslacht» der Joden, en de bestraffing kan
dus toegepast worden op de verschillende
klassen van menschen, die toen tegenwoor-
dig waren, naarmate zij in de algemeene
«ongeloovigheid en verkeerdheid» deelden.
Gelijkluidende uitdrukkingen komen voor
in het lied van Mozes, Deut. XXXII: 5,20.
3. « Dit geslacht ». Dat sommige booze
geesten kwaadwilliger zijn dan andere,
leeren wij uit Matth. XIÏ : 45, en mis-
schien doelt Ef. VI : 12 op verschillende
«geslachten» of rangen van hen. Over
« bidden en vasten » zegt Trench: « Het
geloof, dat krachtdadig wil zijn, moeteen
geloof zijn, dat door gebed wordt geoe-
fend — dat niet verflauwd is door altijd
toe te geven aan de eischen der lagere
natuur, maar dat zich dikwijls aangegord
heeflt tot een strengeren leefregel, tot ont-
bering en zelfverloochening. »
4. Met « dezen berg » bedoelde de Heer
natuurlijk niet den zedelijken « berg » van
duivelschen invloed en menschelijk onge-
loof, al wilde Hij ook leeren, dat, om dezen
te boven te komen, een Geloof noodig is,
dat letterlijk bergen verzetten kan. Maar
er is geen sprake van het willekeurige
verrichten van wonderen. Het geloof, waar-
van Hij spreekt, is een volkomen ver-
trouwen in God, en het behoort tot den
aard van dit geloof, dat het niets doet,
dat tegen Zijn wil is. Indien het Zijn wil
ware, indien het behoorde tot de volbren-
ging van Zijne plannen, dat zelfs de berg
Hermon (zie vorige Les, Aant. 2) verzet
werd, dan zou het geloof zelfs dit kunnen
doen, evenals Mozes door zijn geloof in
staat werd gesteld, de wateren der Roode
Zee te klieven.
5. « Kom mijne ongeloovigheid te hulpi>
wordt gewoonlijk beschouwd als een gebed
om meer geloof. Maar het is waarschijn-
lijker eene bede om hulp, niettegenstaande
men zijn ongeloof gevoelt.