Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
206
XLV. J)E BEZETEN KNAAP.
I. De berg van moeilijkheid.
"Waartoe had Jezus den Apostelen macht
gegeven? Mark. VI : 7. Gelukte het hun
duivelen uit te werpen? Mark. VI : 13.
Nu komt een arme vader tot hen, om
hun te vragen of zij den duivel uit zijn
zoon willen werpen, vers 18. Zie welk
een ernstig geval dit is: wij hebben van
andere bezetenen gelezen, maar deze schijnt
erger dan zij. Het arme kind kan niet
spreken («stom» vers 17, en toch «roept»
het, Luk. IX : 39) — het is doof, vers
25 — somtijds heeft het vreeselijke toe-
vallen, vers 18 — somtijds is het in levens-
gevaar, vers 22 — als een krankzinnige,
Matth. XVII : 15. Denk aan zijn tehuis —
geen andere kinderen (Luk. IX : 38) —
hoe treurig voor vader en moeder!
Hier is een moeilijk geval voor de
Apostelen! — een berg van moeilijkheid.
Maar iets anders maakt den «berg» nog
erger. Wanneer iemand tot Jezus kwam
om een wonder, wat zeide Jezus dan, dat
hij moest hebben? Zie Matth. VIII : 13;
IX : 28, 29; XV: 28; Mark. H: 5, V : 34,
36; X : 52; Joh. XI : 40; verg. Matth.
XIII : 58; Hand. XIV : 9. Maar de wan-
hopige vader heeft bijna geen geloof —
hij komt tot de discipelen als een dren-
keling, die zich nog aan een stroohalm
vastklemt — hij vreest, dat het hopeloos
is; zie vers 24. Dus hier is nog een moei-
lijkheid.
Zie nu den uitslag: «zy konden nieU.
Stel u hun teleurstelling, hunne schaamte,
hunne vrees voor — Thomas ziet Philip-
pus, Mattheus en Judas aan—de Schrift-
geleerden bespotten hen en hun Meester,
vers 14 — het volk wordt opgewonden —
en te midden van dat alles de treurende
vader met zijn ongelukkig kind. Welk een
schouwspel voor Jezus en de drie anderen,
wanneer zij van den Berg afkomen na
al die heerlijkheid {vorige Les) — waarlijk,
het zou niet goed geweest zijn in Petrus*
«tabernakelen» te blijven.
II. Waarom de discipelen den
«berg» niet konden verzetten.
Hoe kwam het, dat het hun mislukte?
Zij begrepen het zelven niet — vroegen
het dus naderhand aan Jezus. Zie Zijn
antwoord, vers 28, 29; Matth. XVII : 19
—21.
1. Hun geloof was ziüa/c. Hun geloof
— hun vertrouwen. Waarop hadden zij
moeten vertrouwen? Niet op de macht,
die Jezus hun had gegeven, maar op Jezus
zelf. Toen zij het kind zagen, hadden zij
moeten denken: «Onze Vader kwam neer
uit den Hemel om de menschen van den
duivel te verlossen — Hij zou dit/cwnwen
doen — Hij zou dit willen doen — Hij
wil nu, dat wij het doen — Hij heeft be-
loofd ons de macht te geven », dan zouden
zij ondervonden hebben, dat zij konden.
Waarom ? Omdat de macht, die zij hadden,
niet van hen zelven was, maar van Eén,
die alle dingen vermocht. Maar toen was
het juist iets geheel anders, wat zij ge-
voelden — (a) zij waren ter neer geslagen
door de gedachte aan het lijden van den
Heer — {b) Jezus was afwezig en zij waren
als soldaten zonder generaal — (c) de
drie voornaamste Apostelen waren er ook
niet — {d) en dit was zulk een bijzonder
moeilijk geval. Vandaar hun ongeloof en
bijgevolg hunne vergeefsche pogingen.
2. Zij hadden niet beproefd hun geloof
krachtiger te maken. Hoe konden ze dit?
Zie vers 29 (a) Gebed. Zij hadden toen
moeten bidden, zooals zij dit naderhand
deden (Luk. XVII : 5): «Vermeerder ons
het geloof». (6) Vasten. Zij hadden zich
te veel om hun eigen genoegen en gemak
bekommerd — geen «verdrukking gele-
den» (2 Tim. II : 3) als * goede krijgs-
knechten » — bevreesd voor het « kruis »
— hoe konden zij dan verwachten te