Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
205 XLV. J)E BEZETEN KNAAP.

kwade geestelijke invloeden. Bovendien hebben de meeste onderwijzers te
doen gehad met moeilijke karakters — met onbetoombare drift, of onverbeterlijke
ongehoorzaamheid, of schijnbaar ongeneeslijke leugenachtigheid — karakters,
ten opzichte van welke wij instinctmatig de waarheid gevoelen van de
woorden des Heeren; «Dit geslacht gaat niet uit dan door bidden en vasten».
Zooals de Schets aangeeft, doet men wèl deze Les op uiterst duidelijke, klare
wijze te behandelen. De leerlingen moeten ten minste nu eens gevoelen, dat hun
bijwonen van de Zondagschool niets mindev is Aan hei (/.gebracht worden tot de
discipelen^, om van den invloed van hun geestelijken vijand bevrijd te worden.
Indien deze gedachte ingang bij hen vindt, kan het niet anders of zij moet
hen tot ernst stemmen. Hieraan behoeft nauwelijks toegevoegd te worden, dal
onderwijzers, die gewoonlijk de hoogere beteekenis van hun werk voorbijzien,
en het als eene lichte taak beschouwen, niet in staat zullen zijn in dezen zin
te spreken.
ïwee voorzorgen echter zijn noodig: (1) Alle kinderen zijn niet gelijk; zij
kunnen niet allen in ééne algemeene beschrijving saamgevat worden. En zonder
enkelen hunner te vleien, en de werkzame vijandschap van den Satan tegen
elk in het bijzonder te verhelen, moet men toch met verstand eene schei-
ding maken, en verklaren, dat de toepassing voornamelijk op de «moeilijke
gevallen» betrekking heeft; (2) Men moet er vooral op wijzen, dat het werk
van den onderwijzer inderdaad alleen bestaat uit het gehoorzamen van Christus*
bevel: «Brengt hem tot Mij»; dat Hij alleen alle macht en alle genade heeft.
De benamingen van de afdeelingen der Schets zullen misschien willekeurig
schijnen, maar hare bedoeling is om de bewoordingen, bij Mattheus, van Christus'
antwoord op de vraag «Waarom konden wij hem niet uitwerpen?» op den
voorgrond te plaatsen. Zijn antwoord maakt een zeer belangrijk gedeelte van het
onderwerp uit, maar indien het te moeilijk wordt geoordeeld voor jongere
klassen, behoeft de onderwijzer slechts Afdeeling II weg te laten, dan zal de
Les even volledig en veel eenvoudiger zijn.
Er zal veel licht op de moeilijkere gedeelten van de Les geworpen worden door
eene verwijzing naar sommige der voorafgaande Lessen, t. w. over geloof —
XVIII, XXIII, XXVII en XLI, en over bezetenheid^ — XXI en XXXVII.
Schets van de Les.
Zijt gij ooit gedwongen geweest iets,
waaraan gij bezig waart, af te breken,
om eene groote moeilijkheid, die gij niet
te boven kondet komen? {Voorb. — Gij
hebt uw lei genomen — ge dacht spoedig
uw werk af te maken — maar de som
was zoo moeilijk — gij kondet niet verder).
In den Bijbel worden deze moeilijkheden
bergen genaamd (Jes. XL : 4; Zach. IV: 7;
Mark. XI: 23; Luk. 111:5; 1 Cor. XIH: 2).
Bergen zijn groote hinderpalen voor reizi-
gers, legers, enz., — het vereischt veel
moeite er overheen te komen.
Heden zullen wij zien hoe, terwijl Christus
met de drie Apostelen op den «hoogen
berg » was {vorige Les), een groote «berg»
van moeilijkheden den anderen negen
Apostelen in den weg kwam.