Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
204
XLV. J)E BEZETEN KNAAP.
en van het afleggen van zijn «tabernakel».
6. De «lichte wolk» schijnt, evenals de
Schechina van het O. T., het zinnebeeld
tvan de tegenwoordigheid Gods geweest
e zijn (Exod. XIV : 19, XL; 34; 1 Kon.
VIII : 10 en andere plaatsen). Het is op-
merkenswaard, dat het woord « Schechina »
het begrip van woning uitdrukt, zoodat
de «lichte wolk, die hem overschaduwde »,
een gepast antwoord was op Petrus' voor-
stel om « tabernakelen » te maken.
7. Zonder twijfel had de Verheerlijking
op den Berg nog met een ander oogmerk
plaats dan alleen om de Apostelen te be-
moedigen. Het bezoek van den verheer-
lijkten wetgever en den profeet op deze
aarde en het gespx ek met Jezus over Zijn
aanstaanden dood kon niet alleen voor dat
doel zijn. Men kan zich voorstellen, met
welk eene belangstelling die heiligen des
Ouden Verbonds, die reeds van de aarde
waren heengegaan, het verzoeningswerk
zullen hebben aangezien, krachtens het-
welk zij de ruste waren ingegaan —, want
ofschoon het eene gebeurtenis was, die
nog in de toekomst lag, was zij zoo goed
als verleden in de zekere raadsbesluiten
Gods, zoodat er gesproken wordt van het
Larn, als «geslacht van de grondlegging
der wereld». Maar het was zeker ook de
bedoeling, om door dit samenzijn den Heer
te versterken met het oog op Zijn aan-
staand lijden; en dezelfde hoorbare stem,
die Hem bemoedigd had, toen Hij de wijding
tot Zijne bediening ontving, spreekt óók
tot Hem, nu Hij weldra het laatste tijd-
perk van Zijne vernedering zal ingaan.
8. Waarom mochten de Apostelen niet
verkondigen hetgeen zij gehoord en gezien
hadden, tot na de Opstanding? Hierop
antwoordt Trench: «De geheimenis, dat
Christus de Zoon Gods was, moest niet
aan de wereld geopenbaard worden, totdat
zij boven allen twijfel was verheven, tot-
dat Hij krachtelijk bewezen was de Zoon
van God te zijn uit de opstanding der
dooden (Rom. I : 4). Tot zoolang kon
het slechts een onderwerp van onheilige
redeneering en twisting zijn.»
Het «opstaan uit de dooden» klonk toen
niet raadselachtig, omdat in het algemeen
de leer van de lichamelijke opstanding
hun vreemd was (verg. Joh. XI: 24; Hand.
XXHI: 6—8), maar omdat zij het denkbeeld
van Christus' dood niet konden begrijpen.
9. «Waarom zeggen de Schriftgeleerden,
dat Elias eerst komen moest? » Zij hadden
zooeven Elias gezien: was da« zijn komen?
Zoo niet, wanneer »zou hij dan komen?
In Zijn antwoord verwijst Christus hen
naar de vervulling van Maleachi^s profetie
in Johannes den Dooper, en voegt er de
verzekering bij, dat evenals die voorspelling
vervuld was, zoo ook de voorspellingen
van Zijn lijden, hetwelk zij niet konden
gelooven, vervuld zouden worden. Zijne
woorden, zooals Mattheus ze weergeeft,
met Mal. IV vergeleken, schijnen echter
duidelijk op een persoonlijk komen van
Elia vóór de Wederkomst des Heeren te
duiden, waarvan de zending van den Doopei
bij de eerste Komst eene voorafschaduwing
schijnt te zijn.
Les XLY. — De bezeten knaap.
« Waarom hebben ivij hem niet kunnen uitwerpen ?»
Te lezen — Mark. IX : 14-29; {verg. Matth. XVII : 14—21; Luk. IX : 37—42).
Te leeren — Mark. IX : 23, 24; Hand. Hl : 16. (Gez. 28 : 2, 3; Gez. 16 : 1).
Voor den Onderwijzer.
Het feit, dat de bezetene in dit verhoal iemand van jeugdigen leeftijd was,
stelt ons in staat om dit onderwerp meer rechtstreeks op onze leerlingen toe
te passen, wat gewoonlijk eene bijzondere uitwerking zal hebben op het gemoed
der kinderen. Er is geen twijfel aan, dat de groote vijand gereed staat om de
ziel van een kind aan te vallen, zoodra deze ontvankelijk is voor goede of