Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLIV. DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG.
203
Ooggetuigen! Zouden wij Jezus niet
gaarne gezien hebben, zooals Hij in Galilea
was — Zijne werken aanschouwd, Zijne
woorden gehoord hebben? Dat kan ons
nooit gebeuren, maar —
Wij zullen Hem zien in Zijne
heerlijkheid, zooals Hij dien nacht op
den berg was. Iedereen zal het zien, zie
Matth. XXV : 31, 32, XXVI ; 64; Openb.
I : 7. Wat zal dan gebeuren?
Zijn volk zal dan ook in heerlijkheid
zijn, evenals Mozes en Elia dit waren (2'^«
tekst om te /eeren, en Dan. XH : 3; Matth.
XHI: 43; Rom. VIII: 18). Welke heerlijk-
heid ? Dezelfde, die Jezus had, Hem gelijk
(Joh. XVH : 22—24; 2 Cor.IH:18; Phil.
Hl : 21; 1 Joh. IH : 2).
Zullen wij die hebben? Hoe kan dat? —
wij zijn zoo onwaardig — denk aan onze
zondige gedachten, woorden, daden —
hoe verschillend van Christus! Toch is zij
ons beloofd — waarom? Om dienzelfden
Dood, welken Petrus niet kon begrijpen,
waarover Mozes en Elia spraken. Omdat
Hij stierf, kunnen wij onze zonden op
Jezus leggen. Omdat Hij stierf, komt de
Geest om ons heilig te maken. Denk eiken
dag: «Hij verliet Zijne heerlijkheid, opdat
ik er deel aan mocht hebben — hoe kan
ik dan tegen Hem zondigen?»
Aanteekeningen.
1. Mattheus en Markus zeggen «na zes
dagen»; Lukas zegt «na omtrent acht
dagen.» Dit zijn eenvoudig twee manieren
van rekenen, de eene geeft het juiste
getal dagen weer, de andere het tijds-
bestek. binnen hetwelk deze dagen liggen.
2. De overlevering, dat de verheer-
lijking op den Berg Thabor plaats had,
heel't geen grond van waarheid en is
ook waarschijnlijk niet geloofwaardig. Op
den Thabor lag in dien tijd eene ver-
sterkte stad. Het feit, dat Christus eene
week te voren dicht bij Cesarea Philippi
was, doet veronderstellen, dat eene der
hoogten van den Hermon het tooneel
Zijïier heerlijkheid was, en hierin stemmen
alle hedendaagsche reizigers overeen. De
Hermon is inderdaad de eenige werkelijk
«hooge berg» van Palestina (10,000 voet)
en de eenige met sneeuw bedekte — het-
geen nadruk geeft aan Markus' vergelijking
«wit als sneeuw » (deze lezing is echter
niet boven twijfel verheven).
Ook de woorden des Heeren in Matth.
XVH : 20 (na de nederdaling op den vol-
genden dag gesproken): «Gij zoudt tot
dezen berg zeggen,» zijn nog veel tref-
fender, indien de Hermon bedoeld wordt.
3. Dat de verheerlijking des nachts plaats
had, mag met reden opgemaakt worden
uit Lukas' woorden (vers 37), dat zij «des
daags daarna» afkwamen. Merk ook op
hoe de Apostelen doorslaap bezwaard waren
en dat de nacht dikwijls voor den Heer
de tijd des gebeds was.
4. De verschijning van Mozes en Elia
doet vele diepzinnige quaesties ontstaan,
waarop het antwoord niet gegeven kan
worden wegens onze onbekendheid met
de onzienlijke wereld. Het is merkwaardig,
dat beiden op geheimzinnige wijze uit
het leven zijn gescheiden: Elia (^evenals
Henoch) werd weggenomen ^overgezet),
zoodat hij reeds zijn verheerlijkt lichaam
had; terwijl sommigen verondersteld heb-
ben, uit het verschijnen van Mozes tege-
lijkertijd, en uit de moeilijke woorden in
Judas (vers 9), dat zijn lichaam ook opge-
wekt en verheerlijkt was geworden.
5. Woorden, welke uitlegging behoe-
ven: —
« Uitgayxg » is letterlijk «vertrek »,
exodos (van waar het Boek Exodus).
{{Tabernakelen», d.i.: tenten of hutten.
«Voller». Het werk van den voller be-
stond in het schoonmaken van linnen
kleedingstukken, waaraan hij, doormiddel
van de zoogenaamde « vollersaarde », eene
bijzondere witheid gaf. In 2 Kon.
XVHI: 17; Jes. Vn:3; Mal. 111:2 wordt
er toespeling gemaakt op dit bedrijf.
Het is zeer merkwaardig, dat in de verzen,
waar Petrus naar de Verheerlijking ver-
wijst (2 Petr. i : 13—18), hij twee der
eigenaardige woorden van dit gedeelte ge-
bruikt. Hij spreekt van zijn eigen « uitgang »