Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
202
XLIV. DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG.
wij een dag van genoegen! toch kan
deze niet duren — dagen van werk
moeten volgen). Maar zie — eene heerlijk
blinkende wolk overdekt hen {zie Aant. 6)
— Jezus, Mozes. Elia verdwijnen voor
het oog; dan nemen de ooren der van
vrees bevangen Apostelen iets waar, dat
nog wonderbaarder is.
(b) De stem des Vaders. Wat zegt deze?
« Mijn geliefde Zoon » — God zelf zegt
hun Wie die nederige en verachte Galileër
is. « Welbehagen » — wie Hem ook moge
haten en verachten, de Vaderjis voldaan;
verg. Jes. XLH : 1; Joh. VHI : 29. (Hoe
heerlijk ook voor Jezus zelf, om dit te
hooren {Zie Aant. 7), juist toen de lijdens-
dagen zoo snel naderden I verg. Jes. LIII
: 10). « Hoort Hem » — het was goed naar
Mozes te hooren, en zijne wet te houden —
naar de Profeten te hooren en aan hunne
stem gehoorzaam te zijn — maar dezen
wezen slechts op den Messias, bereidden
Zijn weg — nu is Hij Zelf hier.
Maar konden de discipelen dit toen reeds
alles in zich opnemen? Zie — zij liggen
met het aangezicht ter aarde, door vrees
overstelpt (Matth.); verg. Ex. XX : 19;
Hab. III : 2. En daarna eene andere stem,
welke zij goed kennen, de stem van een
mensch zooals zij, van een liefhebbenden
vriend; en tegelijkertijd eene aanraking
(verg. Dan. X : 10; Openb. I : 17). Zij
zien op — het licht verdwenen — de
duisternis omringt hen weder — « Jezus
alleen ».
Laat ons dit nu nog eens nagaan —
wat zou deze groote gebeurtenis Petrus,
Jakobus en Johannes leeren? Drie zaken
{werk deze uit, door over het behandelde
vragen te doen).
1. Wat de ware heerlijkheid van .lezus
was [Zie hiervóór, I (a)].
2. In welke betrekking Hij stond tot de
Wet en de Profeten. Zij waren met Hem,
niet tegen Hem [Zie hiervóór, I (6)]. Hij
stond boven hen [Zie hiervóór, H (6)].
3. De noodzakelijkheid van Zijn dood,
juist hetgeen zij niet met Zijne heerlijkheid
en oppermacht konden vereenigen [Zie
hiervóór, H (a)].
Verstonden zij dit toen alles? Zij dachten
er zelfs niet over — zij begonnen zich te
vermoeien met andere dingen van veel
minder belang (zooals sommige menschen,
die het Evangelie verwerpen om het een
of ander nietsbeteekenend bezwaar tegen
den Bijbel); zie waarover zij spreken,
wanneer zij den volgenden dag den berg
afdalen (Mark. IX : 10); en wat zij aan
Jezus vragen (11). Hoe antwoordde Jezus
hun? (12, 13) — ja, het was waar, dat de
Schriften van Elia's komst hadden gespro-
ken (Mal. IV), maar ook van Zijn lijden
(Jes. LIII); welnu, het eene was vervuld
geworden (zie Luk. I : 17) — waarom
wilden zij niet gelooven, dat het andere
ook zou gebeuren? Maar geen wonder,
nu zij zoo traag van begrip zijn, mogen
zij er niet meer over spreken (Mark. IX : 9>
— niet voordat alles geschied is en dui-
delijk voor hen is geworden (Zie Aant.
8 en 9).
Konden zij echter ooit dezen nacht ver-
geten? Maar zij vergaten hem eens —
denk aan het gezegde van Petrus, dat hij
«den man niet kende», wiens goddelijke
heerlijkheid hij had gezien! Hoe zwak zijn
wij allen! Toch herinnerde hij zich dien
nacht. Toen hij oud was, kon hij er na
jaren van moeite en vervolging op terug-
zien, dat hij een « ooggetuige was geweest
van Christus' majesteit» en met zijne eigen
ooren de stem des Vaders had gehoord; —
en dus wist in Wien hij had geloofd —
het was geen «fabel» geweest; en dat,
ofschoon zijn «uitgang» nabij was, de
heerlijkheid hem daarboven wachtte; zie
2 Petr. 1 : 13—18 (Zie Aant. 5).