Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLIV. DE VERIIEERLIJKINC; OP DEN BERG.
201
Schets van de Les.
Het is avond — vier wandelaars onder-
nemen den vermoeienden tocht een steilen
berg op (Zie Aant. 2). Het is de Heer met
Petrus, Jakobus en Johannes. De nacht
is reeds ingevallen, wanneer zij den top
bereiken {Zie Aant. 3). Eene eenzame
plaats — ver van huizen en menschen
(Mark.). Indien het dag ware, hadden zij
een prachtig gezicht kunnen hebben, maar
nu is alles donker en stil. Wat doet Jezus?
vers 28; en de drie? vers 32. Wanneer
sliepen deze drie ook, terwijl Jezus bad?
Mark. XIV : 32—40.
Eensklaps ontwaken zij — een stroom
van verblindend licht — wat kan het zijn?
Zij zijn ontsteld en verbaasd — zie waar-
over.
I. Over hetgeen zij zagen.
(a) De heerlijkheid van Jezus.
« Veranderd van gedaante » (Matth. en
Mark.) — wat is dat? zie vers 29 {Zie
Aant. 5). Zie hetgeen gezegd wordt (Matth.)
van Zijn gelaat en (Mark.) van Zijne
kleederen. Verg. Hand. XXVI: 13; Openb.
I : 14—16; ook Ps. CIV : 2; 1 Tim. VI
: 16. Wat moeten zij gevoeld hebben! Hun
Meester, den eenvoudigen timmerman van
Nazareth, met wien zij eiken dag spreken,
wandelen, eten, enz. — zien zij nu —
hoe? — zij weten het niet — zulk eene
heerlijkheid was er nooit op aarde geweest!
Maar wat is het dan? «Hij is alles, meer
dan alles, wat wij gedacht hadden — wat
het kruis ook mag beteekenen, waarvan
Hij gesproken heeft (zie Matth. XVI : 20
—28), Zijne heerlijkheid is toch boven
allen twijfel.» En welk eene heerlijkheid! —
eene Hemelsche, geene aardsche — niet
van den Koning der Joden, maar van den
Koning der Hemelen.
{b) De metgezellen van Jezus. Nog twee
andere gedaanten zijn daar, ook in heer-
lijkheid (vers 31) — de groote Wetgever
en de groote Profeet — de twee grootste
mannen, van wie de discipelen in de
Schriften gelezen hebben. Beiden vastten
op wonderbare wijze (zooals Jezus gedaan
had), Deut. IX : 9; 1 Kon. XIX : 8;
beiden hadden wonderbare gezichten van
God, Ex. XXXIH : 18—23; 1 Kon. XIX
: 11—13; beiden werden op geheimzinnige
wijze van de aarde weggenomen, Deut.
XXXIV : 5, 6; 2 Kon. H : 11; beiden
waren nu van den Hemel gekomen om
met Jezus te spreken {Zie Aant.k). Wat
moeten Petrus en de anderen gevoeld
hebben I Welke nieuwe inzichten moeten
zij gekregen hebben in de grootheid huns
Meesters! En geen twijfelmoedigheid meer,
omdat Jezus (volgens de Schriftgeleerden)
de Wet scheen te breken en de Profeten
niet te vervullen — hier zijn Mozes en
Elia zeiven met Hem!
II. Over hetgeen zij hoorden.
(a) Het gesprek. Waarover? vers 31 —
Zijn uitgang {Zie Aant. 5) — hetzelfde,
waaraan Petrus zich zoo geërgerd had!
«dien Hij zoude volbrengen» — wat
dus behoorde tot het plan, tot den raad
van God 1 « te .feruzalem » — de stad, waar
zij dachten, dat Hij zou regeeren! Die dood,
waaraan zij nog niet konden denken, in
den Hemel bekend f Zie Aant. 1) — vooraf
besproken door verheerlijkte heiligen.
Maar nu gaan Mozes en Elia heen. Wat
zegt Petrus? vers 33—«W'aarom zouden
zij gaan? — het is zoo heerlijk, zoo
gelukzalig — laat ons takken van de
boomen nemen, en drie hutten maken.»
Ja, maar dit zou niet gaan — zij kunnen
dit niet altijd hebben — de zondige wereld
is daar beneden — daar moeten Apostelen
zijn, voor Christus arbeidende — de heer-
lijkheid is nog niet voor hen weggelegd —
slechts één blik hebben zij er in mogen
slaan. {Voorb. — Hoe ongaarne eindigen