Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
T"
200
XLIV. DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG.
de woorden van den Rabbijnschen schrijver
Maimonides aan, waarin deze de gewoonte
beschrijft, dat, wanneer de Schriftgeleerde
officieel werd gewettigd om te onderwijzen,
men hem een sleutel gaf, en de macht
om te «binden en te ontbinden », hetgeen
zeer veel licht werpt op de woorden des
Heeren.
De sleutel is het zinnebeeld van het
hofmeesterschap (zie Jes. XXII : 15—20);
en de dienaars van Christus zijn «uit-
deelers van de verborgenheden Gods»
(1 Cor. IV : 1). Het denkbeeld van het
uitdeelen der schatten van Gods Woord
ligt er dus evenzeer in besloten als het
openen en sluiten. Het « binden » en « ont-
binden » wordt met nadruk alleen op zaken
toegepast, niet op apersonen» —«zoo xvatn,
niet «zoo wieyt^ en heeft betrekking op
de regeling der Kerk.
Dezelfde macht wordt in Matth. XVIII: 18
aan al de Apostelen gegeven, eene voldoende
weerlegging van de Roomsche theorie
omtrent de oppermacht van Petrus. In
de Evangeliën en de Handelingen is er,
ofschoon Petrus dikwijls als de woord-
voerder der Apostelen voorkomt, geen spoor
van eenig oppergezag, en nog minder in
zijne eigen brieven. Zelfs al wilde men
dit oppergezag aannemen, dan zou het
nog een bloot verdichtsel blijven, dat het
op zijne opvolgers overging; en zelfs al
gaf men dit toe, wie zijn dan de opvolgers?
Zeker niet de Bisschoppen van eene stad,
van wier Kerk er geen bewijs is, dat Petrus
ooit de voorganger is geweest.
Les XLIV. — De Verheerlijking op den Berg.
« Aanschouwers van Zijne Majesteit».
Te lezen — Luk IX : 28-30; {verg. Matth. XVII : 1—13; Mark. ÏX : 2—13).
Te leeren — 2 Petr. 1 : 16—18; Col. IH : 4. (Gez. 1 : 2, 4).
Voor den Onderwijzer.
Het kan niet moeilijk zijn aan deze Les aantrekkelijkheid te geven. Het
onbepaalde der schildering van iets zoo geheimzinnigs zal er toe bijbrengen
om haar boeiend te maken. Maar de onderwijzer zorge er wel voor, dat de
belangstelling in het verhaal niet verhindere, dat op de groote waarheden,
die er aan ten grondslag liggen, het meeste licht valle. Het hoofdpunt van
de Les is het veiband tusschen «het lijden van Christus en de heerlijkheid,
die zou volgen ». Om hieraan voldoenden tijd te kunnen geven, zal het mis-
schien noodig zijn het gesprek over Elias weg te laten, of zelfs die gedeelten
van de Les, waarin de betrekking van de Wet en de Profeten tot Christus
behandeld wordt.
In de Schets worden het doel en de invloed van de Verheerlijking eenvoudig
besproken voor zoover zij betrekking hebben op de Apostelen (en aldus zijde-
lings op ons). Maar de gebeurtenis betrof ook zonder twijfel de Hemelsche
bezoekers en den Heer zelf; en dit onderwerp kan, indien het wenschelijk
wordt geacht, althans met de oudere klassen besproken worden. Zie Aant. 7.
De onderwijzer van jongere klassen moet nooit aannemen, dat al de woorden
van een vers, dat gelezen wordt, ook worden begrepen. Het woord «uitgang»
b. V., dat in deze Les voorkomt, heeft wel eenige uillegging noodig.