Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLIII. DE BELIJDENIS VAN PETRUS.
199
aan, dat het alleen als Petrus f d. i. aWeen
door genade was, dat deze groote taak
hem gegeven kon worden. Dus toen na
zijn val deze opdracht hernieuwd werd,
sprak Jezus hem als «Simon — zoon van
Jona» (Joh. XXI : 15—17) aan, om hem
aan de zwakheid zijner sterflijke natuur
te herinneren.
4. «Op deze petra». Drie uitleggingen
worden aan deze woorden gegeven: (a)
Dat de «petra» de leer is, door Petrus
beleden; (ö) Dat de «petra» Christus is;
(c) Dat de « petra » Petrus is.
(a) Aangaande de eerste meening kan
gezegd worden, dat het in strijd is met
de gewoonte der Schrift om zulk eene
overdrachtelijke spreekwijze toe te passen
op eene leer, en de woorden, op die wijze
verklaard, hebben een gedwongen zin —
« Gij zijt Petrus, en op deze petra », deze
geloofsbelijdenis, enz. Waarom, indien
deze opvatting waar is, heeft Jezus dan
gezegd: « Gij zijt Petrus » ?
(b) De tweede opvatting drukt eene
onbetwistbare waarheid uit, nl. dat Christus
het ware fondament der Kerk is, de rots,
waarop zij is gebouwd (Zie de teksten, in
de Schets aangehaald). De vraag is of de
Heer hier op deze waarheid doelt, en dan
mag men weder vragen, indien dit zoo is,
wat de woorden «Gij zijt Petrus» dan
beteekenen? Geene uitlegging kan goed
zijn, welke ontkent, dat de ware «rots»
Christus is; maar vele Zijner titels worden
op Zijne dienstknechten in een onderge-
schikten zin toegepast. Zij zijn herders; Hij
is de Opper-herder. Zij zijn apostelen; Hij
is «de Apostel» (Hebr. IH:1). Zij moeten
«blinken als de Zon» (Matth. XIH : 43);
Hij is de «Zon der Gerechtigheid». Zij zijn,
evenals Hij, « het licht der wereld » — niet
alleen lichtdragers (zooals in Phil. H : 15),
maar «het litiht» (in Matth. V ; 14 ^üq,
hetzelfde woord, dat in Joh. I op Christus
wordt toegepaste. Daarom is het feit, dat
Hij de « Kots is, nog geen bewijs, dat
dezelfde naam niet aan Zijne dienstknechten
gegeven kan worden.
(c) Indien de derde opvatting juist is,
waarom zijn dan de woorden, welke Jezus
gebruikt {petros en petra) verschillend?
Indien Jezus in het Arameesch (He-
breen wsch) heeft gesproken, is er geen
verschil; maar daar het twijfelachtig is,
of Hij ook misschien in het Grieksch sprak,
kan hieraan geen gewicht worden gehecht.
Alford voert als reden aan, dat het verschil
onvermijdelijk is, omdat petra vrouwelijk
is, terwjjl de naam, die aan Petrus wordt
gegeven, den manneüjken vorm petros moet
hebben. En de algemeene term is mogelijk
ook gebruikt om aan te toonen, dat Petrus
niet alleen was: de Kerk zou gebouwd
worden op «het fondament der Apostelen
en Profeten». Maar. vraagt men. hoe kan
de Kerk op een feilbaar en zondig mensch
gebouwd worden? Waarop het antwoord
luidt, dat de Heer alleen op den vernieMUJ-
den, geloovigen, door genade veranderden
aard van den Apostel doelt (Zie voorgaande
Aant.). De woorden zouden dan beteekenen:
«Gij, Simon, Bar-Jona, zijt uit u zeiven
geheel ongeschikt om een der steenen
van het fondament Mijner Kerk te zijn,
maar nu heeft het geloof u tot een Petrus
gemaakt, gij zijt vervormd en Mij, de Ware
Rots, gelijk geworden, eti op zulk een
fondament, zulk eene petra wil ik Mijne
Kerk bouwen». Dit is zeker de natuur-
lijkste uitlegging. Door deze laatste opvat-
ting wordt eene bijzondere krachtgegeven
aan Christus' daaropvolgende bestraffing
van Petrus: «Gij zijt Mij een aanstoot»,
letterliik «een steen des aanstoots» —
verg. i Petr. II : 6. 8.
5. « De poorten der hel », letterlijk « van
Hades B. VVanneer in het N. Testament
het verblijf van booze geesten de plaats
der straf genoemd wordt, vindt men het
woord « Gehenna » — « Hades » betee-
kent alleen de plaats der afgestorvenen —
het doodenrijk. De uitdrukking «poorten
van Hades » kan dus niet, zooals gewoonlijk
de uitlegging luidt, de macht van den
Satan, maar eerder den dood en het graf
beteekenen; en de zin is, dat de dood,
ofschoon hij schijnbaar over de Kerk zou
zegepralen (b. v. toen Christus zelf stierf
en de Apostelen den marteldood onder-
gingen), haar nooit werkelijk zoude «over-
weldigen ». De dood wordt voorgesteld als
«poorten» hebbende in Job XXXVIII: 17;
Ps. IX ; 14, CVII : 18; Jes. XXXVHI: 10;
verg. Openb. I : 18. En door «poorten»
wordt niet alleen gevangenschap, maar ook
macht zinnebeeldig voorgesteld, daar de
poorten van Oostersche steden de plaatsen
waren, waar gezag en recht werd uitge-
oefend ; zie Deut. XVI: 18; 2 Sam. XV : 2,
XIX : 8; vergelijk de gewone benaming
van het Turksche Rijk, de «Porte».
G. Ten opzichte van vers 19 haalt Stier