Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
198
XLIII. DE BELIJDENIS VAN PETRUS. 198
deze eer aan Petrus gegeven? Niet om
ets, dat hij zelf had, niet als Simon;
maar om het geloof, dat God hem had
gegeven, als Petrus, Hij en de anderen
konden geene bekwaamheid hebben anders
dan door Gods genade in hen, zie 1 Cor.
IV: 6, 7, XV: 10; 2 Cor. III: 5; Ef. HI: 6.
Wij kunnen het ambt van Petrus niet
hebben, noch zijn voorrecht om een steen
van het fondament te zijn. Maar «steenen»
kunnen wij zijn — «levende steenen» in
de Kerk.
Hoe kunnen wij steenen worden
n Christus* Kerk?
Niet van nature. Wij zijn er evenmin ge-
schikt voor als «Simon, de zoon van Jonas»:
Wij zijn als ruwe, vormelooze steenen in de
roeve — wij moeten gehouwen, gepolijst,
klaar gemaakt worden. Er moet eene
verandering in ons plaats hebben, evenals
in Petrus.
Alleen door het bezit van Petrus' geloof.
Wat was zijn geloof? (a) In Jezus als
«den Christus», den Verlosser van zonde.
Gelooven wij in Hem als onzen Zalig-
maker? (6) In Jezus als «den Zoon van
God»? Aanbidden en gehoorzamen wij Hem
als onzen Heer en onzen God?
Hoe kunnen wij dit geloof verkrijgen?
God alleen kan het geven — vraag het Hem.
Gij zegt, dat gij al deze dingen gelooft.
Gij kunt de Geloofsartikelen opzeggen en
aannemen. Ja, maar Petrus' geloof deed
hem — (a) Christus aanhangen, toen
anderen weggingen (zie Joh. VI: 66—69);
(ö) Christus openlijk belijden (verg. Rom.
X : 9, 10). Is ons geloof daaraan gelijk?
Aanteekeningen.
1. Cesarea Philippi moet niet verward :
worden met het Cesarea op de kust, dat
zou dikwijls in de Handelingen genoemd
wordt. Het was aan den voet van den
Hermon gelegen. De oorspronkelijke naam
was Panium (de Grieken hadden er een
altaar van den god Pan), hetgeen verbas-
terd is in het tegenwoordige Panias. Phi-
lippus, de viervorst, vergrootte en verfraaide
het, en gaf er den naam van zijn keizer-
lijken meester en van hem zelf aan. Van
geheel Palestina is de natuur hier het
schoonst. Achter de bouwvallen verheft
zich een steile rots, 1000 voet hoog, een
van de hoogten van den Hermon, op wiens
top de overblijfselen van een Saraceensch
kasteel staan, dat om zijn grootschen bouw
met dat van Heidelberg vergeleken wordt.
Onder de rots is een donkere grot, uit
welke een der drie beken ontspringt, die
zich naderhand vereenigen en den Jordaan
vormen. Indien de woorden des Heeren
op deze plaats tot Petrus werden gespro-
ken, dan zou de groote rots hijzonderen
nadruk geven aan de uitdrukking «op
deze pet ra».
2. Het geloof, dat Elia aan den Messias
vooraf zou gaan (zie Matth. XVH : 10),
kwam voort uit de profetie van Maleachi
(Mal. IV : 5); en daar Johannes de Dooper
gezegd had, dat hij Elias niet was (ofschoon
hij diens ambt vervulde, zie Luk. I : 17),
verbeeldde zich het volk, dat Jezus het
misschien was, en zij verwachtten konden,
dat de Messias spoedig zou volgen. Er
bestond ook een Rabbijnsch denkbeeld
(misschien op 2 Esdras H : 11 gegrond),
dat Jeremia weder zou verschijnen. De
derde meening, welke genoemd wordt, dat
Jezus misschien de uit den dood opgestane
Dooper was, kon die van de Herodianen
zijn (Matth. XIV : 2).
3. « Gij zijt Petrus». Deze uitdrukking
vergelijkende met het « Gij zult genaamd
worden Cefas» van Joh. I : 43, is het
duidelijk, dat Christus daardoor den Apostel
wil doen gevoelen, dat de voorspelde ver-
andering in zijn karakter nu plaats heeft
gehad, en dat dit blijkt uit de belijdenis
van zün geloof. Dat geloof gaf hem wat
hij oorspronkelijk niet had — een petreïsch
karakter (zooals het zeer juist genoemd
is). Door hem kort te voren bij zijn eigen
naam, Simon, aan te spreken, wilde Chris-
tus het onderscheid tusschen den natuur-
lijken en den vernieuwden mensch doen
uitkomen — « Gij, Simon, zoon van Jona,
zijt nu Petrus», en Hij toonde hem dus