Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XLIII. DE BELIJDENIS VAN PETRUS.
197
Hij bezig is? vers -18 — met hethomven
van Zijne Kerk. Geen kerk van steenen:
eene Kerk van zielen — mannen, vrouwen
en kinderen zijn er de «steenen» van —
« levende steenen», tot een «geestelijk huis»
gebouwd tekst om te leeren). Wie
zijn de fondamenten, welke het eerst gelegd
zijn ? Zie Ef. 11: 20 (verg. Openb. XXI: 14).
Was Petrus nu geschikt om een der groote
steenen van het fondament der Kerk te
zijn? Niet van nature — hij was vurig en
liefhebbend, maar onstandvastig. Maar
wat had Jezus tot hem gezegd bij hunne
eerste ontmoeting? Joh. I : 43 {zie Les
XIV) — «gij cu/i genaamd worden Ce/as»,
d. i. een steen, stevig en sterk. Zijn eigen
naam was Simon — maar hij zou spoedig
Petrus {Grieksch, hetzelfde als Cefas,
Hebr.) genoemd worden. Zie nu hoe Jezus
hem noemt, vers 17, 18: eerst «Simon
Bar-Jona» (zoon van Jonas), zijn eigen
naam, daarna «Gij zijt Petrus», de beloofde
nieuwe naam. W^at maakte Simo7i nu
waardig om Petrus genoemd te worden? Het
was zijn geloof aangaande Jezus. Omdat
hij geloofde in den «Christus, den Zoon
Gods », zou hij sterk en standvastig zijn,
geschikt om een der groote steenen van
het fondament der Kerk te wezen {Zie
Aant. 4).
Der Kerk — «maar — (zou Petrus
misschien denken) wordt de Kerk dan
gebouwd? — het schijnt eerder, dat zij
algebroken wordt — iedereen valt van
ons af.» Toch — nik zal bouwen.» Op
eene rots, op een veilig en sterk fonda-
ment. Jezus zelf (Hij, die zoo standvastig,
zoo onveranderlijk is, Hebr. XHl: 8) is de
grondsteen van alles, Jes. XXVIH : 16,
(verg. 1 Petr. H : 6); 1 Cor. Hl : 11. De
Apostelen maken daarna doel uit van het
gebouw, zoodat Petrus zelf, aan Jezus
toegevoegd, als de rots (de petra) wordt
— als het ware een deel van de rots wordt
{Zie Aant. 4). Donkerder dagen moeten
nog komen — de dood zou scheiding in
hun midden teweeg brengen (weinig dach-
ten zij hoe spoedig Jezus zou sterven) —
maar het graf zou niet overwinnen —
zijne «poorten» konden hen niet voor
eeuwig gevangen houden (Zie Aant. 5) —
de Kerk zegepraalt eindelijk — niet één
« steen » ontbreekt er aan.
IV. De bijzondere belooning van
het geloof van Petrus, vers 19.
Petrus zou niet alleen deel uitmaken
van de Kerk, maar hem zou een bijzonder
werk zijn opgedragen (Zie Aant. 6).
Sleutels. — Jezus spreekt nu op eene
andere wijze van de Kerk, als van eene
stad of een paleis — waar de menschen
uitgenoodigd moesten worden in te treden.
Wie zou de poorten openen? {Voo)-b. —
Wie opent de deur der kerk of der school f
Hij, die den sleutel heeft). Wie heeft den
sleutel van Gods paleis, Gods Hemelsche
stad? Zie Openb. III : 7 (zooals voorspeld
was, Jes. XXH : 22). De poorten waren
voor zondaars gesloten, maar Jezus opende
ze, door de zonde weg te nemen (Ef.
H : 13, 18).
Aan Petrus geelt Jezus den sleutel —
waartoe? Niet om hetzelfde te doen als
de Farizeën, Matth. XXHI : 13. Neen,
maar om de poorten wijd open te zetten
voor Joden en Heidenen. W^at beteekende
dit? Zijtie prediking — was Petrus niet
de eerste, die de blijde boodschap aan de
Joden (Hand. H) en Heidenen (Hand. X)
verkondigde? En nog iets anders —
«binden» en «ontbinden» — hij zou
wetten maken, zeggen wat er in de Kerk
gedaan en niet gedaan moest worden; zie
wat hij naderhand deed. Hand. V : 9,
XV : 7, 22. Maar niet alleen Petrus;
hetzelfde gezag aan de andere Apostelen,
zie Matth. XVHI : 18.
Waarom werden deze voorrechten en