Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
196
XLIII. DE BELIJDENIS VAN PETRUS. 196
zijn slechts geringe lieden. Sedert dien
tijd zijn zij weder eenmaal in hun eigen
landstreek (Matth. XV : 39; geweest, maar
om de vijandige houding der Farizeën
waren zij gedwongen naar de oostzijde van
het Meer terug te varen (XVI : 1—5).
Nu zijn zij weder ver weg, dicht bij de
Heidensche stad van Philippus {Zie Aant. 1).
Waarom blijven zij nog bij Jezus? Dat
zullen wij zien.
I. Het geloof van Petrus, vers
13—16.
Welke vraag wordt hun door Jezus ge-
steld, terwijl zij voortwandelen ? {Uark.\
vers 13. Wat denkt het volk van Jezus,
na al deze leeringeu en wonderen? Som-
tijds hadden zij werkelijk gemeend (zie
Matth. XH : 23), dat Hij de Messias was,
maar de Farizeën hadden hen hieraan
doen twijfelen en Hij wilde ook niet de
Koning zijn, dien zij begeerden. Toch
konden zij niet denken, dat Hij een be-
drieger was — misschien was Hij wel een
profeet — Elia of Jeremia — of de ver-
moorde Dooper, uit den dood opgestaan
(zie Matth. XIV : 1, 2). {Zie Aant. 2).
Maar de Twaalven — wat denken zij?
Zij zouden misschien twijfelen en aarzelen
— maar neen — het antwoord is gereed,
vers 16 — en beslist ook, niet «wij zeggen»,
of «wij denken», maar »Gij zijt». Zijt —
wat? (a) De Christus. Zonder twijfel is
Petrus ter neer geslagen en begrijpt deze
schijnbare mislukking niet, maar van één
ding is hij zeker — «Hij is de Messias,
alles zal eenmaal terecht komen.»
(b) De Zoon des levenden Gods. Petrus
wist niet alles, wat wij hieromtrent weten, —
omtrent de Drieëenheid; maar hij zal ge-
dacht hebben aan Ps. H : 7 — Jezus
had dikwijls gesproken van «Mijn Vader» —
zij waren met Hem geweest, toen Hij bad
(b.ü. juist nu, Luk. IX: 18) — zij konden
zien, dat llij op de eene of andere wijze
nader tot God stond dan andere menschen.
II. De bron van Petrus'geloof,
vers 17.
Bron, van waar het kwam (evenals eene
rivier). Hoe wist hij, dat Jezus de Messias
en de Zoon van God was? Had de Dooper
dit gezegd? (Joh. I : 27, 29, 34) — maar
al het volk had dit toch ook gehoord. Be-
antwoordde Hij aan hetgeen de Schriften
van Hem voorspeld hadden ? (Joh. V : 39) —
maar anderen hadden toch ook deze Schrif-
ten. Hadden Zijne wonderen de zaak beslist ?
(Joh. V : 36, X : 37). Maar het volk had
deze gezien. Toch geloofden zij niet —
waarom (niettegenstaande alle twijfelingen
en hinderpalen) geloofde Petrus dan?
Zie wat Jezus zegt, vers 17. «Vleesch
en bloed » (zijn eigen denkbeelden omtrent
den Messias en de meening van anderen)
zouden u dit nooit geleerd hebben. Maar
God heeft het gedaan. Daarom was hij tot
Jezus gekomen (1»'^ tekst om te leeren;
verg, Matth. XI : 25; 1 Cor. XH : 3;
2 Cor. IV : 6; Gal. I : 12, 15, 16). Wel
mocht hij «zalig» genoemd worden! God
had hem zijne zonde (Luk. V : 8) doen
gevoelen, en naar het eeuwige leven doen
verlangen (Joh. VI: 58) — hij gevoelde, dat
niemand hem koude helpen behalve Jezus.
III. Waartoe dit geloof Petrus
geschikt maakte, vers 18.
Geschikt. {Voorh. — Een kweekeling^
die geschikt wordt geacht voor onder-
wijzer, een leerling voor ee7i ambacht).
Gij hebt metselaars aan het bouwen
gezien {noem een voorbeeld op). Hebt gij
dan wel gelet op de groote steenen, die
dikwijls onder aan de muren gebruikt wor-
den? Zij zijn eerst op de juiste grootte
gehouwen, en men heeft ze den juisten
vorm gegeven, zoodat zij pasklaar, ^esc/uÄt
zijn voor hunne plaats. Hoe groot, stevig
en vast zijn zij!
Waarmede zegt Jezus aan Petrus, dat